-

 


wordt donateur van jazzmasters

North Sea Big Band

BERT JANSMA - JOURNALIST





 

 





Bert Jansma (foto koninklijke schouwburg)

.

Bert Jansma
Bert Jansma .

[phone] +31
0)70 3465117 .
[cell] +31(0)6 53616736 .


 

nog meer colums van Bert:
.lees document en klik vorige
linkboven in uw browser!

1 Biografie Bert Jansma

2 Colums uitgesproken voor Radio West 2004/2005
. Schoonheidsfoutjes
. Een rookgordijn
. Vreemd fruit
.
De legende an Massey Hall
.
Zwaaivaders
.
Helden oude stijl
.
Tafel en Bed [In memoriam North Sea Jazz in the Hague]
.
Leesles in Jazz
.
Jazzgrappen
.
Muziek met een bijsmaak
. Sterren stralen overal
.
Toekomstvisioen
.
Just One Song
.
Ongewenste sonoriteiten
.
Kleine geheimen

3 Jazz interviews gemaakt voor de Haagsche Courant
.
Joe Zawinul
.
Keith Jarrett
.
Michael Brecker
.
John Scofield
.
Wayne Shorter
.
Liz Wright
.
Terri Lyne Carrington

.
Rob van Kreeveld
. Dick de Graaf
.
Tineke Postma
.
Susanne Alt
.
John Engels

4 CD recensies (HC)

5 Theater interviews (HC)

6 Film interviews (Dagblad Het Binnenhof/Persunie, HC)

Bert Jansma - biografische notities

Bert Jansma (18.09.1942) wilde acteur worden, maar zei al tijdens het eerste jaar Toneelschool (Amsterdam) de opleiding uit eigen beweging vaarwel. Erik Vos vroeg hem dramaturgisch werk te komen doen (Nieuwe Komedie/Toneelgroep Arena), een 'halve baan'die hem in staat stelde Nederlands MO te studeren. Inmiddels had hij het literaire jongerenblad Fase opgericht, dat later met het blad Trans zou fuseren tot Contour/Kontoer bij uitgeverij A.W.Sijthoff waar hij ook deel uitmaakte van de redactie van de literaire Aurea-reeks.
Al sinds de Toneelschool publiceerde hij gedichten, vertalingen en eigen werk, eerst in de jongerenbundel Vermoeden van Tijd (Meulenhoff, 1962), daarna in bladen als Ontmoeting, Raam, Kroniek van Kunst en Kultuur, Samenspel. Naast poëzie zou hij ook toneel gaan vertalen: Fantasio van Alfred de Musset (voor Lou Landré, toen nog toneelschoolleerling), veel later voor de Haagse Comedie uit het Tsjechisch: Pavel Kohouts 'Brand in het sousterrain' en 'Colas Breugnon'. In opdracht van Zdenek Kraus, regisseur van beide stukken, vertaalde hij een serie hoorspelen uit het Tsjechisch, en schreef hij een nieuwe Masque voor de opvoering van Shakespeare's Maat voor Maat bij de KVS, Antwerpen.
Geen brood mee te verdienen, al die literatuur, vandaar o.m. banen als leraar Nederlands, assistent-redacteur van de Oosthoeks Encyclopedie (beeldende kunst, letteren). De liefde voor film kon Jansma kwijt als publicity manager van Universal Pictures (drie jaar), waar hij ook de vertaling (ondertiteling) van tientallen films verzorgde, tot de befaamde Haagse filmcriticus Otto Milo hem vroeg om op de kunstredactie van Dagblad Het Binnenhof in Den Haag te komen werken (1972).
Sindsdien was het de kunst-journalistiek en die is nooit meer weggegaan uit zijn bestaan. Kort ( negen maanden) bij het Algemeen Dagblad, bij de voortreffelijke Ruud Kuyper, daarna weer Het Binnenhof en verder bij de Haagsche Courant onder Frans Happel en Coos Versteeg.
Ondanks vele interviews en reportages met schrijvers (o.a. in samenwerking met boekenuitgever Elsevier), was zijn opdracht bij de krant in de eerste plaats film en toneel, interviews en recensies. De jazz kwam daar al gauw bij toen bleek dat er eigenlijk niemand was die daar over schreef. En vooral door het North Sea Jazz Festival werd de krant zich destijds bewust dat jazz méér was dan alleen maar een privé-liefhebberijtje van meneer Jansma en kon hij steeds aan grote bijlagen rond het festival werken.
Hij maakte jarenlang deel uit van de jury die de Bird Awards Nederland toekende, schreef voor enkele jazzmusici 'liner notes' voor hun cd's en verzorgde/verzorgt een gesproken column voor het jazzprogramma van Michael Varekamp op Radio West..
Sinds 1 oktober 2005 is Bert Jansma de Vut 'ingegaan', maar van stil zitten zal het voorlopig niet komen. Getuige deze site.




SCHOONHEIDSFOUTJES -
door Bert Jansma

Dit is de week van de schoonheidsfoutjes.
Om met gisteravond te beginnen.
Toen vierde de Dutch Swing College band zijn jubileum in de Anton Philipszaal.
Helemaal vol die zaal. En terecht.
Meest opvallend in dat jubileumconcert is de komst van de drie B's uit de dixielandhistorie elders in Europa.
Mr Acker Bilk, die van het bolhoedje vroeger, Kenny Ball van de Jazzmen en trombonist Arne Jensen, beter bekend als Papa Bue. Van de Viking Jazz band.
De man die een Europese hit had met zijn versie van Mozarts Schlafe mein Prinzchen schlaf ein.
De Dutch Swing verwelkomde hem ermee op het toneel van de Philipszaal gisteren.
Maar of Papa Bue dat gemerkt heeft is de vraag.
Hij had waarschijnlijk te lang aan de bar moeten wachten op zijn optreden, want veel noten bleek hij niet op zijn zang te hebben.
Hij zeeg neer op een stoel, achter de rug van leider Bob Kaper.
Af en toe leek het of hij daar in z'n eentje een stoomboot zat te imiteren, soms kreeg je de indruk dat hij met zijn Prinzchen in slaap gevallen was.
Het orkest zelf was hem dan ook al hélemaal vergeten na het bedanken en de bloemen.
Dus zat Papa Bue daar nog in z'n eentje.
Wanneer hij opkrabbelt wordt hij opeens de volle zaal gewaar die nog bezig is met de rest van de staande ovatie voor de mannen van de Dutch Swing.
Wat áárdig, denkt Papa Bue en schuifelt naar de microfoon.
Aáááh, denkt het publiek. Dát wordt wat.
Ja, dat werd het.
Want Papa Bue zette het op zingen. Met het lied 'Why are you born so beautiful'. Maar dan in een eigen variant die hier niet door de keuring komt.
Zachte pogingen van jazzgek en hulp in de jazzhuishouding Jan van Gelder om Papa mee te tronen lukken niet.
Dus keerde het orkest nog maar eens terug voor een extra toegift. Als dekmantel om Papa Bue wat minder opvallend af te voeren.

Schoonheidsfoutje.

Dat andere schoonheidfoutje deze week, is tragischer en niemand kan het helpen.
Afgelopen dinsdag presenteerde het North Sea Jazz Festival het programma voor het dertigste festival en het laatste - hoort u de onderdrukte snik? - dat in Den Haag zal plaatsvinden.
In het programmaschema van vrijdag 8 juni, de eerste festivaldag, staat een opvallende naam.
Benny Bailey
Die van trompettist Benny Bailey.
In de Carel Willinkzaal zal hij optreden met pianist Rob van Bavel en drummer John Engels.
En dat kan dus niet.
Want Benny Bailey is overleden.
De North Sea organisatie kan helemaal niks doen aan dat schoonheidsfoutje, want de dood heeft zijn eigen deadline, maar tragisch is het wel.
Vooral ook door de rare omstandigheden van Benny Bailey's dood.
Het bericht bereikt de kranten op 30 april.
Tekst: de sociale dienst van Amsterdam maakt bekend dat Benny Bailey is gestorven.
Etcetera.
En dan de sterfdatum.
14 april.
Hoe zit dat, vroeg iedereen zich af.
Heeft Bailey dan al die tijd dood thuis gelegen?

Nee, dat niet.
Maar bizar is het wel.
Want Bailey - die ooit in Europa achterbleef nadat hij hier met de band van Lionel Hampton optrad - was weliswaar 79 maar nog altijd actief vanuit zijn Amsterdamse woning waar hij alleen leefde.
Hij is er nog gebeld, was toen al overleden, er is op het antwoord-apparaat ingesproken. Maar wie hem niet aan de lijn kreeg dacht: o, hij is naar Zweden, waar hij vaak speelde en waar hij twee dochters had.
Of hij is elders.
Nee dus.
De buren vonden hem. Blijkbaar geen jazzgekken, want niemand wist iets van familie of kennissen of andere contacten.
Dus kwamen politie en sociale dienst in actie.
Er was geen sprake van een misdrijf, dus het lichaam van de 'onbekende' Bailey ging de koelcel van het mortuarium in.
En na een tijdje wordt er dan een advertentie gezet in een grote krant.
En toen kwamen de reacties pas.
Want Bailey had de volgende dag nog een optreden in jazzclub De Tor, in Enschede.
Alsnog werd er rondgebeld, zijn zuster in Amerika werd bereikt en de door de sociale dienst geregelde begrafenis werd uitgesteld om haar en andere familieleden in staat te stellen aanwezig te zijn.

Die begrafenis was uiteindelijk op tien mei.
Op de dag van de persconferentie van het North Sea Jazz festival.
Waar hij dus zou optreden.
Tragische bijkomstigheid.

Elders in het North Sea programma zit nog zo'n tragisch addertje onder het gras.
Kijk bij Oscar Peterson op zondag 10 juli.
Kijk wie hem begeleidt op bas.
T.b.a. staat daar.
To be announced.
Want kortgeleden overleed de vaste bassist van Peterson.
Niels-Henning Orsted Pedersen.
In een week waarin nota bene nóg twee andere jazzbassisten van wereldfaam overlijden:
Percy Heath, ooit van het Modern Jazz Quartet.
En Jimmy Woode.

Vreemde samenloop.

Laten we 't maar de 'schoonheidsfoutjes' van het leven noemen.





EEN ROOKGORDIJN -
door Bert Jansma

Stelt u zich een Parijse kelderkroeg voor anno 1947.
Het is er rokerig, er wordt jazz gespeeld.
In een hoek zit chansonnière Juliette Gréco met een man. Verderop zit schrijver Jean-Paul Sartre druk te oreren.
Sigaret in de mond. Of is het toch een pijp. Het is door de rook die er hangt nauwelijks te zien.
Een beeld uit de dagen van het existentialisme.
Sartre heeft dan al gezegd dat 'de hel de anderen' zijn en dat roken voor hem het symbolische equivalent is van het 'zich op een destructieve manier de wereld toe-eigenen'.
En Sartre kon het weten.
Hij was een kettingroker.
Inmiddels wordt in Frankrijk het honderdste geboortejaar van de schrijver en filosoof gevierd. En dat wordt kracht bij gezet door een affiche van de Bibliothèque Nationale.
Met zijn portret.
Zonder pijp. Zonder sigaret.
En dat vinden een hoop Fransen erg vreemd, want ze kennen Sartre niet anders dan mét.
Het dagblad Libération gaat het uitzoeken en ontdekt dat de foto in 1948 gemaakt is en dat op het origineel wel degelijk sprake is van een sigaret en tabakswalm. De Nationale Bibliotheek blijkt die weggeretoucheerd te hebben. Omdat anders sponsors voor de feestelijke Sartre-tentoonstelling zouden afhaken. Bovendien, zegt de baas van de bieb unverfroren, is er die wet uit 1991 die tabaksreclame verbiedt.
Sartre als posthume pusher.
Dus ontdeed de grafische afdeling van de bibliotheek Jean Paul van zijn tabakswalmen.
Nou ja!.
Dat is toch al te gek?
Je kan om zo'n knullige zaak natuurlijk grijnzen, maar het is óók een stuk ordinaire geschiedvervalsing. Zoals de communisten Trotski op de foto's naast Lenin weg-retoucheerden.
Stel je voor dat zulke rookloze ingrepen gemeengoed gaan worden.
Dan kan je de halve kunstwereld overboord mikken.
In de Koninklijke Schouwburg was vorig seizoen een Franse opvoering van Molière's Dom Juan te zien.
En die begint met knecht Sganarelle die op de rand van het toneel een komische lofrede houdt op de tabak.
Sganarelle stelt dat wie níet rookt toch écht niet tot de verstandigen gerekend mag worden.
Daar schort iets aan in de bovenkamer.
In Molière's tekst gaat het nog om een snuifdoos met tabak, maar de regisseur van de Comédie Francaise had Sganarelle een flinke pijp in de mond gegeven. Zodat hij grote rookwolken de schouwburg binnenblies. Waar overigens niet gerookt mag worden.
Kijk, dat kan straks dus écht niet meer.
Molière moet verboden worden.
Op de middelbare school was er een leuke zeventiende eeuwse dichter in de letterkunde-bloemlezing, genaamd Willem van Focquenbrock.
Dat was tenminste een man aan wiens werk je plezier kan hebben. Hij had een toneelstuk geschreven dat De Min in 't Lazarushuis heette en dat in de wandeling De Min kwam Lazarus thuis genoemd werd. Maar ook een komisch-filosofisch sonnet met de titel Spes mea fumus est.
Mijn hoop is rook.
Met de mooie beginregels:
Wijl ik dus zit en smook een pijpjen aan den haard,
Met een bedrukt gelaat en d'oogen naar den aard'.
Wat?
Smoken?
Een pijpje?
Wég ermee. Uit de bloemlezingen vandaan halen, dat ding.
Sluikreclame, jeugdverpesterij, schande.
En wat dacht u van die mooie Franse films waarin Jean Gabin regelmatig een saffie uit de mondhoek heeft hangen?
Verbieden.
Of al die Amerikaanse films met Humphrey Bogart die met sigaret en al zijn hard boiled-teksten lispelt.
Nooit meer vertonen die films.
Of de net zijn tachtigste verjaardag vierende acteur Kees Brusse, die bij elke eerste close-up, om zich vooral goed en rustig in beeld te zetten, omzichtig een sigaret opstak. Character acting
Fout!
En je moet er niet aan denken wat er van de jazzgeschiedenis overblijft als de heren van het Gezonde Verstand dáár aan het retoucheren slaan.
Kortgeleden zag ik nog een van de weinige filmopnames van Charlie Parker.
Hij zit er op een soort muurtje met zijn altsax.
En een sigaretje.
Als hij zijn solo gespeeld heeft, neemt hij een trekje en kijkt met een beetje opgetrokken wenkbrauwen naar Coleman Hawkins die zijn partij naast hem blaast.
Prachtig beeld.
Maar - verkeerd.
Ik weet best dat Parker meer dingen fout deed dan alleen dat sigaretje roken, en ik ben de laatste om te zeggen dat nicotine, drugs en all that jazz de gezondheid stimuleren, maar je kan ze niet wegvlakken.
Dan mag je niet naar Relaxing at Camarillo luisteren, omdat dat ging over de inrichting waarin Parker aan het afkicken was.
Dan moet je Art Peppers tragisch-meeslepende boek 'Straight life' over zijn niet-zo-straighte leven, maar helemáál van alle boekenplanken in de wereld verwijderen.
Of illegaal verklaren.
Jazz en de sigaret hebben een soort verbond.
Vanuit de barrel houses en flophouses uit de oertijd van die muziek.
En wie weet dienen we straks ook alle teksten op die muziek rookvrij te maken.
Want wat heeft die dame uit Duke Ellingtons 'Satin doll' eigenlijk in haar hand?
Juist, een cigarette holder.
Neeneenee.
Daar maken we als de wiedeweerga maar een toilettasje van.
En wat dacht u van het gouden oude Smoke gets in your eyes.
Ook die rook moet ab-so-luut verdwijnen.
Daar moet iets anders voor in de plaats.
Ik heb een suggestie: tranen.
Van het huilen óf van het lachen.
U mag het zeggen.




VREEMD FRUIT - door Bert Jansma

Deze keer gaat het over een cd.
En niet eens een echte jazz-cd.
Of eigenlijk gaat het over een man.
En over een song.

We beginnen bij die cd.
Hij is net uit en heet: 'Billy Crystal presents the Milt Gabler story'.
Twee schijfjes. Een geluids-cd, en een DVD-schijfje.
Billy Crystal, denkt u? Is dat niet? Jawel, Billy Crystal, de acteur en komiek.
Hij maakte voor die cd een keus uit het werk van zijn Oom Milt.
Want Uncle Milt was platenproducer.
Nee, wérd platenproducer.
Want in het New Yorkse ijzerwarenwinkeltje van opa Julius Gabler begon zoon Milt eerst als hobby een platenhoekje.
Met jazzplaten.
Met een luidspreker boven de ingang om voorbijgangers te trekken.
Dat winkeltje werd uiteindelijk de legendarische Commodore Music Shop.
En Milt Gabler begon een platenlabel.
Grote maatschappijen namen destijds jazz op en borgen daarna de masters weg.
Er werd niet meer naar omgekeken., behalve als je er geld voor over had.
Milt Gabler had dat en kocht rechten van oude jazzuitgaven.
Voor zijn Commodore-platenlabel.

Zijn winkeltje was al gauw een centrumpje voor jazzliefhebbers, waar iedereen binnenkwam.
Louis Armstrong, Ellington, Lester Young.

En Gabler bleef jazzplaten produceren.
Eddie Condon, Wild Bill Davison, Lionel Hampton, Billy Holiday, the Andrew Sisters.
Gabler had zoveel succes dat hij werd benaderd door het Decca-label, daar vice-president werd en er de ene hit na de andere produceerde.
Van jazz tot swing en commercieler werk.
Het staat allemaal op die cd van zijn neefje Crystal.
Sammy Davis' eerste hit 'Hey there'.
Nat King Cole's L.O.V.E. Love (tekst van Gabler)
Ella Fitzgeralds 'How high the moon'.
Louis Jordans 'Choochoo Ch' Boogie'.
Gabler stierf op z'n negentigste in 2001.

Dat was de cd. Dat was de man.
Een flamboyante, self made New Yorker van Oostenrijks-joodse afkomst wie het op z'n negentigste nog speet dat hij nooit de big band van Benny Goodman had kunnen opnemen.

Komen we bij de song.
En bij de vrouw die als Lady Day in de geschiedenisboeken van de jazz staat.
Billie Holiday dus. In 1939 had Billie Holiday een song die haar platenmaatschappij Columbia met geen vinger wilde aanraken.
Titel: 'Strange fruit'.
Een song over het lynchen van een zwarte Amerikanen in het zuiden van de Verenigde Staten.
Eerste regels:
'Southern trees bear a strange fruit
Blood on the leave and blood at the root'
Milt Gabler kende Billie Holiday, had haar in de Band Box zien optreden.
Gabler besloot 'Strange fruit' wél uit te brengen.

Het is die daad die hem een standbeeldje in de muziekgeschiedenis had mogen opleveren.
Want wie deed zoiets?
Muziekbusiness moest geld opleveren, amusement bieden.
En dan zo'n gruwelijk onderwerp uit het recente eigen verleden als song?
Gabler zag er het belang van in en nam het op.
Een historische daad.

Time Magazine koos de song 'Strange fruit' begin 2000 als De Song van de toen voorbije eeuw.
Als schrijver van de tekst van die song staat geboekstaafd ene Lewis Allan.
Nóóit van gehoord.
Lewis Allan bestond ook niet.
Dat was een pseudoniem.
Niet van een zwarte protestdichter, wat sommigen destijds dachten.
Maar van een New Yorkse joodse schoolmeester in de Bronx. Genaamd Abel Meeropol.
Meeropol was een politiek-linkse activist. En hij schreef gedichten en muziek.
Onder die naam Lewis Allan.
Politieke songs, met titels als 'The Chamberlain Crawl'.
En: 'Is there a red under your bed'.

Hoewel mensen als Ira Gershwin, Kurt Weill en zelfs schrijver Thomas Mann hem kenden, bleef hij onbekend bij het grote publiek.
Van zijn verdere werk is 'The house I live in' - over verdraagzaamheid en door Frank Sinatra gezongen - bekend geworden. Hij schreef de tekst.
En die voor 'Apples, peaches and cherries', dat Peggy Lee ooit opnam.

Van 'Strange fruit' verwachtte Meeropol helemaal niets. Hij had er niet eens copyright voor laten vastleggen.
Toen zijn song op de plaat kwam, met op de achterkant 'Fine and mellow' (geheel toegeschreven aan Billie Holiday, maar tekst van Milt Gabler), en heel links Amerika hem feliciteerde, werd Meeropol alsnog wakker en schakelde een advocaat die zijn royalties liet vastleggen.
Twee dollarcenten per verkochte plaat.
Een voor de woorden, een voor de muziek.

'Strange fruit' bleef Meeropol achtervolgen.
De FBI ondervroeg hem en wilde weten hoeveel geld hij er mee had verdiend (in 1941 twee dollar over een heel jaar).
En of hij misschien door de Communist Party betaald was om het te schrijven.
Die royalties zouden later méér worden door alle 'covers' van de song.
In de zestig jaar na het ontstaan in totaal 300.000 dollar voor de erven Meeropol.

'Strange fruit' zou ook Billie Holiday achtervolgen.
Enerzijds werd ze ermee geidentificeerd.
Als zij het song met de gardenia in het haar, ogen gesloten, hoofd achterover, voelde haar publiek fysiek die stomp in de maag, de pijn van de tekst.

Maar ze had het er ook moeilijk mee.
In het New Yorkse Cafe Society werd ze zelfs aangevallen door een zwarte vrouw uit het publiek.
Hysterisch en in tranen.
Don't you sing that song again. Don't you dare'.
Ze had Holiday horen zingen over 'burning flesh' en beelden van een lynching uit haar jeugd die ze dacht kwijt te zijn, waren teruggekomen.

Wat eerder als protest hoogstens onder de huid van een hoop blues zat, kwam in 'Strange fruit' naar het oppervlak.
De eerste zwarte protestsong.
Door Billie Holiday.
Door een linkse New Yorker.
En door die Milt Gabler.

Dat we het maar niet vergeten.
Want ook dat is jazz.






LEESLES IN JAZZ -
door Bert Jansma

Lezen over jazz is soms net zo leuk als er naar luisteren.
Vooral als je in antikwariaten grasduint en oude boeken over jazz tegenkomt. Soms heerlijk gedateerd, soms met een bijna pijnlijke constatering die nog steeds voor de jazz geldt.
Ook al is-ie bijna vijftig jaar oud.

Bij Kretschmar op het Noordeinde vond ik een Duits boek over jazz, Jatz zeggen ze daar, geloof ik.
Der Jazz, seine Ursprung und seine Entwicklung. Uit 1958.
Nou, het woordje gründlich had ervoor uitgevonden kunnen zijn. Met een dikke zeventig voorbeelden van stukken, meest blues.
En dan de bijgaande tekst!
Ik citeer: 'Vergleiche besonders den Schluss des Stückes, wo die Freude der Neger durch einen unvermittelt einsetzenden, extempore improvisierten Chorus eines bezaubernden Gitarren-Boogie dargestellt wird'.
Dat is nog eens proza.

Negen jaar eerder schreef de befaamde Willem Vogt in zijn Avro-bode over het optreden van Louis Armstrong and his All Stars in Nederland.
Let op:
"Wie niets van klanken begreep, was toch genoopt ze een verheven verschrikking te vinden! Deze meesters bespeelden hun instrumenten met een beklemmende vaardigheid. Razernij van onbegrijpelijke voornaamheid en stijl. Ongehoorde moeilijkheden van speeltechniek verduisterden tot nietigheden, in een streng beheerste orgie".

Vogt had niet echt iets met jazz, dat mag duidelijk zijn.

Criticus, pianist en jazzpromotor Leonard Feather schreef een aantal jaren later een boek over de be-bop, getiteld 'Inside Bebop'. Daarin een paar fraaie uitspraken over die toen nieuwe muziek.
Van Jimmy Cannon: 'Bebop klinkt voor mij als een porceleinwinkel in een aardbeving".
Orkestleider Tommy Dorsey zei: 'Bebop heeft de muziek twintig jaar achteruit gezet'.
George Frazier vond: 'Het is ongelooflijk dat een volwassen mens deze stuff kan produceren'.
En de Literaire Gazet van Moskou schreef; 'Bebop heeft net zoveel met muziek te maken als amandelontsteking'.

Ik vond die uitspraken in een in 1958 verschenen boek, getiteld '6 over jazz'. Er hoorde een 45-toeren EP gramofoonplaat bij, maar die bleek verdwenen uit mijn antikwarische exemplaar. Als iemand me eraan kan helpen, houd ik me aanbevolen.
Maar dit terzijde.

Het boek laat zes auteurs aan het woord in en er staan unieke foto's in, gekke verhalen en tekeningen. Zoals van illustrator Frits Müller die laat zien wat men onder het 'jammen' zou kunnen verstaan.
Hij tekent drie jazzmuzikanten die elkaar, tussen de rondslingerende instrumenten, met huishoudjam staan in te smeren.
Van interviewster Bibeb vond ik er een citaat over Rita Reys uit Vrij Nederland: "Klein, slank, vibrerend als een gespannen snaar. Ze staat bij de microfoon, de ogen dicht, 't hoofd iets achterover en haar wat hese swingende stem schiet uit naar onverwachte hoogten. Ebt dan golvend terug. Het is of Rita nauwelijks meetelt, die stem volgt z'n eigen weg en zingt en zingt - You'd be so nice to come home to - puur erotisch, maar zonder de valse zwoelheid die zo best wordt betaald, de weke viezigheid die de doorsnee-romantiek tot achtergrond moet dienen'.

Kom daar nog maar 's om, om zulke teksten.

Er staan prachtige anecdotes in 6 over jazz.
In augustus 1955 blijkt wetenschappelijk te zijn vastgesteld dat koeien niet van jazz houden. Dat gebeurt op een Duitse boerderij waar hooggeleerde heren eenenveertig koeien alle soorten van muziek laten horen.
De jazz brengt het er 't slechts af; van trompetsoli raken de beesten overstuur.
Overigens blijken de koeien ook geen interesse te hebben in walsen, bij een tango gaan ze loeien, alleen bij marsmuziek loopt 't lekker. Maar ja, 't was Duits onderzoek anno 1955.

Of een verhaal van bandleider Artie Shaw en toptrompettist Roy Eldridge, ook wel 'Little jazz' genoemd. Shaw neemt met z'n orkest 'Someone to watch over me' op.
Het gaat 58 keer mis. Eldridge schijnt het op z'n partituur geturfd te hebben.
Iemand stelt dan wanhopig voor eerst maar in hemelsnaam iets anders te spelen, maar Shaw reageert woedend. Iedereen die het niet beviel kon oprotten.
Waarop Shaws stersolist Roy Eldridge z'n trompet pakt en opstaat. 'Hééé', schreeuwt Artie Shaw, 'ik bedoel jou niet'.
Of het verhaal van bandleider Woody Herman die in z'n eentje, een uur voor zijn optreden in een club in San Francisco aankomt. 'Ík ben van de band', legt hij de portier uit.
Maar die kijkt hem argwanend aan, en laat hem er niet door. Woody Herman naar het loket, koopt een kaartje, en geeft dat aan de portier. Die grijnst en zegt: 'Ja sorry hoor, maar we kennen hier dat smoesje van ik-ben-van-de-muziek".
Nog een antikwarische greep, nu een boek van tien jaar later, 1967.
Over jazz, samengesteld door Ruud Kuyper die ook zes auteurs aan het woord laat, onder wie Haagse Post-journalist Trino Flothuis. Die schrijft:
"Jazz, zo weet iedere progressieve dominee te vertellen, ontstond op de plantages van zuidelijk Noord-Amerika, waar de neger zijn protest tegen de slavernij uitschreeuwde.
Het lijkt erop - gaat hij verder - dat de jazz, ondanks die hang naar vrijheid, nooit uit zijn positie van knechtsschap is gekomen. Jazzmuziek blijft qualitate qua het verongelijkte protest van de éénling. Er is vrijwel altijd 'trouble in mind', de musicus is doorgaans de pineut.
Een jazzmusicus is als een tot levenlang veroordeelde die af en toe een fles jenever ontvangt van de cipier, en dan zijn melancholiek gepeins afwisselt met in roes geslaakte vreugdekreten".

En als ik zou iets lees, denk ik: er zít iets in.
Maar - - ik zet onmiddellijk Armstrong op.
Juist, om die vreugdekreten.





Tineke Postma
TINEKE POSTMA - door Bert Jansma

'De klarinetten waren op, toen werd 't sax'


Een debuutcd 'First avenue' die van alle kanten geprezen wordt, een jazzprijs, als enige Europese tussen Amerikaanse collega's in Sisters in Jazz: het verhaal van Tineke Postma (25), zondag te horen in Den Haag.
Het gebeurt niet zo vaak: een jonge vrouw van 25 maakt haar debuut op cd als jazzsaxofoniste en krijgt de ene goede recensie na de andere. Het is het verhaal van altsaxofoniste Tineke Postma, net klaar met haar conservatoriumopleiding in Amsterdam (cum laude) en inmiddels beprijsd met de Singer Laren Jazz Award, tweede in de race om de Pim Jacobsprijs en eerder genomineerd voor de Andersen Jazz Award.
In de begeleidende teksten van haar cd wordt ze bovendien toegejuicht door niet geringe collega's als gitarist Jesse van Ruller ('prachtige techniek en een heel mooi geluid'), de Amerikaan Chris Potter ('ze zingt door haar instrument') en drummer Terri Lyne Carrington ('een ongelooflijk cd-debuut'). Kan niet op, lijkt het.
Tineke Postma zelf is er broodje nuchter onder. Ze zit boven in een oude school in Amsterdam- Zuid. "Ik ben het nog niet zo gewend", zegt ze over de interviews die ze de laatste tijd moet geven. Niet schuchter overigens, maar gewoon zoals het is. En na afloop van het gesprek: "Heb ik een beetje goede antwoorden gegeven?"
Chris Potter
De stukken die Tineke Postma componeerde ('great composer' vindt saxofonist Chris Potter) zitten verbazend goed in elkaar. "Ik heb heel lang gedacht dat ik absoluut niet kon componeren. Ik vond het een drama, kon niets afkrijgen, had geen idee'n. Maar later pak je bepaalde stukjes weer op, gaat schaven, en maakt ze toch af. Deze cd is het resultaat van twee jaar aan die stukken zwoegen". Ze zegt het met een klein relativerend lachje erachter aan. Zal ze trouwens vaker doen.
Met saxofoon spelen begon ze op haar elfde. Het allereerste begin was fluit en piano. "Eigenlijk is het begonnen met het feit dat mijn opa klarinet speelde in het muziekkorps van Heerenveen. Dat wilde ik ook wel. Maar toen ik daar kwam waren de klarinetten op, want die huurde je bij het korps. Er waren wel saxofoons. Daar kwam bij dat mijn vader het eigenlijk wel een heel stoer instrument vond voor meisjes. 'Joh, moet je doen, saxofoon spelen, dat doet niemand." De echte passie was er nog niet, en spelen in de harmonie beviel maar matig. "Ik heb er noten leren lezen, maar die muziek vond ik vreselijk. Lichte muziekliedjes op een klassieke manier. Op een gegeven ogenblik speelde het orkest samen met een popbandje, en dat vond ik leuk." Eerst was er een vooropleiding in Zwolle. Althans bijna: "Daar werd ik afgewezen. 'Tineke, je moet wel studeren', zeiden ze. Ik heb echt moeten leren dat je hard moet werken om iets onder de knie te krijgen."
Daarna werd 't het Groningse conservatorium en daarna Hilversum: "Ik vond dat ik daar echt naar toe moest, waar mensen als Ferdinand Povel les geven." Ze won twee beurzen om vijf maanden in New York verder te studeren bij grote collega's als Dave Liebman, Dick Oatts en Chris Potter, woonde er op First Avenue (vandaar de titel van haar eerste cd).
In 2002 won ze als eerste Nederlandse jazzmuzikante de Sisters in Jazz Competition. "Een wereldwijde competitie voor vrouwelijke jazzmuzikanten die aan een conservatorium studeren. Je stuurt een bandje met vijf stukken op en dan selecteren ze een vrouw op elk instrument. Ik was de enige Europese, de rest van de meisjes waren Amerikaans. Terri Lyne Carrington (de vrouw die bij Herbie Hancock drum speelt) heeft ons bij de vorming van de Sisters in Jazz-band begeleid. We hebben in Amerika gespeeld op het naar pianiste Mary Lou Williams genoemde festival in Washington, heel grappig, een vrouwen-jazzfestival. Daarna in New York bij de conferentie van de International Association of Jazz educators (IAJE), op Jazz ˆ Vienne in Frankrijk, op Umbria jazz in Perugia, en op het North Sea Jazz-festival."
Ze herinnert zich het begin, de allereerste solo. "Dan heb je nog het gevoel: hoe moet ik in godsnaam op dat liedje soleren. En ik herinner me optredens dat ik helemaal niet wist wat ik moest doen, oh, radeloos was ik. Ik zeg niet dat ik er nu ben, maar het is nu goed, of minder goed. Nooit meer dat vreselijke drama dat je denkt dat je er niks van bakt. Je hebt je kennis, de vocabulaire die je hebt geleerd, op school, of door te luisteren. Je weet hoe je dat moet toepassen in je eigen systeem."
Popbandje
Tineke Postma speelt naast dat eigen jazzkwartet ook in een popbandje, vormt een duo met haar vriend, gitarist Edoardo Righini, in het kwintet van zangeres Anne Dekker, en af en toe in big bands. "Het klinkt afgezaagd, maar ik houd niet zo van hokjes in de muziek. Ik luister naar popmuziek, soul, klassiek. Wat jazz betreft graag naar de oude meesters, Cannonball Adderley, Charlie parker, Coltrane. Maar ook naar mensen van wie ik les had, zoals Chris Potter en David Liebman. Voor mij geldt dat 't me boeit als de 'spirit' goed is, als iemand iets kan zeggen door middel van muziek. Als ik 't gevoel heb van: naar jou zou ik wel een hele week kunnen luisteren, dan zit 't goed, maakt niet uit wat. Ik ben nu volop bezig met jazz. Maar stel nou dat iemand als Erykah Badu of Sting iemand nodig heeft op sax en ik mag dan spelen, dan doe ik dat ook met alle liefde."
Veel vrouwelijke jazzsaxofonistes zijn er niet, en dan vergeten we Candy Dulfer maar even, want die speelt echt andere muziek. Maar niemand heeft ooit raar opgekeken van die jonge blonde Friese meid op de sax. "Nee, m'n vrienden kennen me alleen maar met een sax en die vonden het eigenlijk wel leuk. In Amerika is het gewoner dan hier. Maar ik weet dat hier op het eerste jaar conservatorium nu acht meiden zitten die jazz blazen. We zouden een hele big band sectie met vrouwen kunnen vormen."

DE LEGENDE VAN MASSEY HALL - door Bert Jansma

Soms lijkt het of de jazz pas echt leeft als er iets niet goed gaat.
Als er calamiteiten gebeuren, als er tegenwind is, als er ongemakken zijn.
Dan pas waait in de jazz de stof op waarvan legendes gemaakt worden.
Je beseft het als je de herinnering in duikt.
Dat moment dat de amateur-big band van Peter Guidi in het kader van een Haags Schak-festival staat te spelen op het Spuiplein. Zon, maar veel wind. De klanken waaien alle kanten op.
En dan staat er opeens een piepjong saxofonistje voor de band. Hij blaast alsof hij al jaren de grootste gigs doet. En hèm waait de wind niet weg.
Hoe hij heette?
Joris Roelofs. Hij krijgt een prijs op dat plein als solist. Waarschijnlijk z'n eerste. Inmiddels is Joris Roelofs een geaccepteerd talent op de jazzpodia.
Dat wegwaaierige begin van die carrière heb je dan toch maar meegemaakt.
Kleine legende.

Of een van de eerste North Sea jazz-festivals. In een achteraf zaaltje zal pianist Teddy Wilson spelen. Het oogt er somber, stoelen zijn er niet, het publiek zit op de grond. Sfeer ho maar.
En dan komt Teddy Wilson binnen. Door dezelfde ingang als het publiek. Met een goedkoop plastic boodschappentasje in z'n hand. Een hoop aanwezigen herkennen hem niet eens.
Wilson frommelt z'n plastic tas onder de vleugel en begint te spelen.
Hoe het was?
Schitterend. Wilson krijgt een ovatie, bedankt, pakt z'n plastic tasje op en verdwijnt zoals hij is gekomen. Geen schijnwerper, geen aankondiger, geen hoempapa. Wie erbij was krijgt er nu nog kippenvel van.
Schoonheid 'against all odds'.
De stof waar legendes uit groeien.

De jazzgeschiedenis zit vol met die legendarische momenten.
Maar de allergrootste jazzlegende is die van Massey Hall, 15 mei 1953.
Een stel liefhebbers van de New Jazz Society in Toronto wil wel eens de groten van de nieuwe stroming in de Amerikaanse jazz, de bebop, in hun stad.
Ze gaan een weekeindje op stap naar New York en proberen er sterren te strikken. Ze slapen drie dagen niet, zeulen rond in Manhattan, Brooklyn en Queens.
Niemand te vinden.
Via onder anderen bassist Charles Mingus worden er uiteindelijk afspraken gemaakt. En honoraria afgesproken.
Charlie Parker beloven ze 200 dollar. Dizzie Gillespie krijgt er 450, pianist Bud Powell 500, drummer Max Roach en Mingus ieder 150.
Een line up waar je nu nog van staat te wáátertanden.
Maar op 15 mei vindt er ook een bokswedstrijd plaats.
Zwaargewicht Rocky Marciano tegen titelhouder Jersey Joe Walcott.
De tv zendt het concert uit. In Massey Hall zitten dus alleen de hardcore jazzfanaten. Tweederde van de zaal is leeg. De liefhebbende heren van de New Jazz Society in de problemen. Ze bieden met de handen in het haar banden aan om het concert op te nemen via de p.a.-installatie van de zaal.
Maar wat voor concert wacht ze?
Pianist Bud Powell komt net uit een psychiatrische kliniek, heeft een begeleider meegekregen en ziet er mistig en nerveus uit.
Charlie Parker heeft ergens in Toronto nog een plastic saxje op de kop moeten tikken, want zijn eigen Selmer staat in de lommerd in New York.
De normaal altijd betrouwbare Dizzie Gillespie is meer geinteresseerd in de bokswedstrijd en duikt om de haverklap de coulissen in om maar niets te missen. Op het toneel trekt hij voortdurend gekke bekken tegen Mingus die er de pest in krijgt en dreigt weg te lopen.
In de pauze neemt Charlie 'Bird' Parker een schuiver naar de Silver Rail-kroeg aan de overkant waar hij snel een aantal whiskey's naar binnen slaat.
En de verhalen gaan dat na het concert de bom barst.
Bird en Dizzie raken slaags.
Bird gaat die arme mannen van Jazz in Toronto te lijf.
Mingus heeft ruzie met iederéén.
Maar hij heeft wél de banden. Parker biedt ze nog te koop aan aan Norman Granz van Verve - waar hij onder contract staat. Voor honderdduizend dollar. Granz stinkt er niet in.
Dus brengt Mingus ze uit op zijn eigen Debut-label.
Parker komt op de hoes als Charlie Chan, vanwege die contractuele verplichting.
Charlie Chan, de naam van een populaire Chinese filmdetective. Chan de voornaam van zijn vrouw.
Aangezien de bas nauwelijks te horen is door de krakkemikkige opname-apparatuur en bassist Mingus - net in New York woonachtig - al die bopstukken niet even goed kent, neemt hij in de studio van Rudy van Gelder toch maar een nieuwe baspartij op.
Beide versies zijn op cd verkrijgbaar. Met en zonder gerepareerde baspartij.
Op dat Debut-label - nu in handen van Fantasy records- en op het Franse Dreyfuss-label.
Wat moet je in hemelsnaam met zo'n concert, zou je denken.
Ruzie, een geestelijk labiele pianist, een saxofonist met whiskey op en een plastic leeninstrument, een trompettist die alleen maar aan boksen denkt en een bassist die niet te horen is.
Ik zei het in het begin van deze column al.
De jazz lééft van de tegenslag.
Want dat concert Jazz at Massey Hall geldt inmiddels als legendarisch.
The greatest jazz concert ever.
Het is maar dat u het weet.
Koester dus de kleine concertjes.
Koester die onbekende gastjes waarvan het líjkt dat ze klungelen.
En ga nóóit naar een bokswedstrijd als er een jazzconcert is.
U zou wel eens de geboorte van een Legende kunnen missen.

ZWAAIVADERS - door Bert Jansma

Ooit gehoord van de Slinger Vaders, ook wel de Zwaai Vaders genoemd?
Nee?
Dan kent u natuurlijk ook niet de beroemde jazzklassieker getiteld Ramp in de Zoutmanstraat.
Of een andere klassieker: Mijn blauwe jas.
Of het beroemde: Fiets fiets foetsie.
En dan vraag ik u al helemaal niet naar die andere wereldbekende, duizenden malen gespeelde song: La tristesse de Saint Louis.
Om maar bij het laatste lied te beginnen, zo heette in onder andere Franstalig België de St. Louis blues.
De Zwaai Vaders was een band die oorspronkelijk de Swing Papa's heette. De Ramp in de Zoutmanstraat was de Haagse vertaling van South Rampart Street Parade.
Mijn blauwe jas, was Jazz me blues.
En Fiets fiets foetsie was de zeer toepasselijke vernederlandsing van Flat floot floogie.
Want de namen stammen uit de Tweede Wereldoorlog waarvan het einde volgende week vijfig jaar achter ons ligt.
En tijdens die oorlog werd de jazz een heuse vijand van de Duitse overheerser en het nationaal-socialistische gedachtengoed. Raar woord trouwens hier, dat gedachtengóed. Gedachtenslecht is beter. Maar dat woord bestaat niet.

Jazz was Feindmusik. Helemaal toen, na Pearl Harbor, Amerika ging deelnemen aan die wereldoorlog.
Want jazz wás Amerikaans, wás schwarze Musik en daarom ook een vloek voor de zogenaamde Ariërs van het Nationaal-socialisme.
Er zijn een paar voortreffelijke boeken over de muziek van die tijd. Ten eerste Ongewenschte muziek van Kees Wouters. En wat Duitsland zelf betreft, het boek Different drummers van Michael H.Kater.
De laatste vertelt het verhaal van de Swing Kids, later verfilmd met Kenneth Branagh en Barbara Hershey in de hoofdrollen.
De Swings was een grote groep jongeren in Hamburg en omstreken die zich in eerste instantie niets van Nazi-waarschuwingen aantrokken en bleven dansen op swing-muziek.
In 1941 speelde het Nederlandse swing orkest van John Kristel er. Kristel trad op er in het Alsterpaviljoen, werd dé held van de swings en tegelijkertijd de Rattenvanger van Hamburg.

"De sfeer in het Alsterpaviljoen in 1941 was groots", herinnerde een Duitse Swinger van destijds zich. "Wat er gebeurde was ongelooflijk. John Kristels band had een fantastische trompettist. En wanneer die opstond om z'n solo's te blazen, werd de zaal bijna afgebroken".
De Gestapo kreeg er weet van, Kristel en z'n mensen werden opgesloten in een kelder en door een achterdeur naar buiten gesluisd met de opdracht nooit meer terug te komen. Een deel van het Duitse Swing-publiek werd gearresteerd.

Dat was Duitsland, waar een aantal Nederlands orkesten nog lang werk zouden hebben omdat alle Duitse muzikanten in het leger zaten.
In Nederland ging het geleidelijk. Eerst het werkverbod voor joodse musici, en dat waren er, ook in de jazz, veel. Wat er met de meesten gebeurde, weten we inmiddels.
Dit gaat niet over hen, maar over de jazz en de belachelijke manier waarop geprobeerd werd die onmogelijk te maken.
Ene W.H.A. van Steensel van der Aa was hier een willig instrument in de handen van de mannen van het propaganda-minsterie. Onder het pseudoniem Will G. Gilbert had hij zich voor de oorlog al opgeworpen als vrije tijdsmusicoloog en jazzkenner, in de oorlog werd hij de ideoloog van de arische muziek.

Het was niet genoeg dat Tiger Rag Katzenjammer ging heten.
En al zongen Nederlands orkestleiders hun Engelse of Amerikaans liedjes in het Duits, ze deden dat dan helaas met zo'n zwaar 'Amerikanisches Akzent' dat de zaal uit z'n bol ging.
Swingorkesten gingen zich opeens als Hawai-orkesten presenteren, maar bleven wél swingen. Zoals de Maui-Eilanders of de Samoa girls met Pia Beck op de ukulele.
Aan banden ermee.

'Deze klanken", oreerde Gilbert, "die in het algemeen jazzmuziek worden genoemd, zijn de muzikale uiting van een volk, dat cultureel gedecideerd lager staat dan wijzelf, weshalve een liefde voor deze muziek vélen als een uiterst ongezond degeneratieverschijnsel voorkomt".

Er waren er genoeg die hem bijvielen. Een Jeugdstorm-lid heeft in 1942 Pi Scheffer en Boy Edgar gehoord in het Haagse Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen.
Hij schrijft: "Laat toch de Nederlandse jeugd niet door dergelijke Amerikaansch-Joodsche invloeden verpest worden. Het is werkelijk droevig aan te zien hoe frissche Hollandsche jongens en meisjes, prachtmateriaal voor Jeugdstorm en SS, zitten te wiebelen op negerklanken".

De heer Gilbert zal vastleggen wát er dan allemaal beslist níet mag in de amusementsmuziek.
Ik citeer:
ongedefinieerde, afzakkende eindtonen (growl-effecten);
labiele verglijdingen van halve tonen;
het gebruik van rubber dempers (plungers) ter verkrijging van 'hot'-effecten;
het benutten van het trompetregister boven bes tweegestreept - en van het klarinetregister boven d driegestreept;
het meer dan drie maal achtereen herhalen van éénzelfde motief (lick) in de solistische improvisatie;
alsmede het meer dan 16 maal achtereen herhalen van een lick in sektie-of ensemblewerk;
En:
het inschuiven van zinlooze syllaben of tusschenwerpsels, evenals eindelooze woordherhalingen.
Gilbert bedoelde uiteraard het zogenaamde 'scatten'.

Het is anno 2005 wel weer eens goed na te denken over de waan en waanzin ervan.
En over de rol van jazz als verzetsmuziek.
Wat het eigenlijk nog altijd een beetje is.
En je kan anno 2005 blij zijn met de licks, the growls, de glissando's, de hot-effecten, de plungers en al die 'zinloze syllaben'.

En laat ons in vrijheid alsjeblieft beseffen hoe heerlijk het is - om te kunnen 'wiebelen op negerklanken'.

(Radio West-column van eind april 2005)

HELDEN OUDE STIJL - door Bert Jansma

Ze waren Helden.
Dat móest wel, want ze stonden in een jongensboek dat ik destijds fantastisch vond.
'Stampij om een schuiftrompet' heette het en naast de drie jonge hoofdrolspelers - Bob Evers, Jan Prins en Arie Roos - kwam daar opeens een stel muzikanten in voor.
Ergens op een station - herinner ik me vaag - ontmoet het avontuurlijke drietal Peter Schilperoort.
Hij moet met zijn orkest als de wiedeweerga elders een andere band vervangen. En de verwikkelingen zijn niet van de lucht.
Ik smulde.
Ik herinner me alleen vaag iets over de trombone van Wim Kolstee waarmee Bob Evers in een trein tegenover een Duitser zit: Gib' mal her die Posaune' zegt de man.
Jazzmuzikanten in een jongensboek!
Dat was nog iets anders dan Tom Erich of Pierre Palla op de radio.

U begrijpt 't: dit gaat over de Dutch Swing College Band die vandaag precies zestig jaar geleden werd opgericht en op 5 mei 1945 het allereerste concert gaf op het Haagse Valkenbosplein. Op woensdag 11 mei is hun jubileumconcert van het orkest in de Anton Philipszaal. Met als gasten groten van de oude stijlmuziek buiten Nederland. Mr Acker Bilk, Kenny Ball en Papa Bue. Want de Swing College was ook voor hen een heldenband waardoor ze zich lieten inspireren.

Ikzelf kende ze als knulletje nog niet. Ik kende alleen dat boek, 'Stampij om een schuiftrompet' van schrijver Willy van der Heide die een enorme serie Bob Evers-boeken schreef met prachtige titels als 'Trammelant in Trinidad, 'Kloppartijen in een koelhuis'.
In die boeken werd alsmaar cola gedronken, maar dat was - bleek later - omdat Van der Heide voor elke naamsvermelding een gratis kratje thuisbezorgd kreeg. Tot Coca Cola er genoeg van had en schrijver Van der Heide overging op de London Tonic.
Hij switchte nogal gemakkelijk trouwens. Hij schreef meisjesboeken onder de naam Sylvia Sillevis, beantwoordde als Joke Raviera lezersbrieven in het sexblad Candy en als Willem Waterman reed hij in WOII een heel rare schaats met zijn satirische blad De Gil, dat een soort dubbelrol in de Duitse propaganda speelde. Na de oorlog mocht hij jarenlang zijn schrijversvak niet uitoefenen. In die tijd bedacht hij de Bob Evers-serie.
Zijn connectie met de oude stijl-jazz bleek mij veel later weer toen hij als rijk besnorde gast bij de Haagse Jazzclub concerten bezocht en na afloop brullend de tafel met drank presideerde.
Aan de Kaag werd hij buurman en vriend van de leider van de Dutch Swing College, klarinettist Peter Schilperoort, die hij 'Rattenvanger met fluit' noemde.
Tot zover Waterman, die hier alleen fungeert om aan te geven hoe 'ín' de Dutch Swing was:
Toen Dutch Swing-trompettist Wybe Buma met zijn Pat trouwde stonden de foto's over drie kolommen in de krant. De band wandelde 'Oh when the Saints' spelend ooit Harry Rademakers' bar aan het Gevers Deynootplein binnen om daar het huwelijk van Paul en Jos Acket luister bij te zetten.
In Ackets blad Muziekexpress figureerden ze ook regelmatig. Pianist Joop Schrier, bandleider toen ingenieur Peter Schilperoort voor een paar jaar naar Fokker vertrok, mocht erin kwijt dat zijn band - ná de door Bill Haley veroorzaakte rock en roll-rellen - ook wel eens last van fans had.
Nou, zei Schrier, dat lossen we zo op: we spreken die belhamel gewoon streng aan. Wil die meneer op rij drie op het balkon daar nu mee ophouden!
Dan is 't gepiept.
Een oplossing Oude Stijl, zeg maar.
Muziek Express bracht ook kei- en keihard nieuws over de Dutch Swing. Zoals de Onverbloemde Waarheid over het gezin van bassist Bob van Oven dat - jawel - de ooievaar verwachtte.
Of het nog verbijsterender nieuwtje dat Peter Schilperoort een Lelijke Val had gemaakt bij het optuigen van de Kerstboom.
Kijk, dát waren nog eens tijden.
Kom daar maar 's om in de hedendaagse jazzjournalistiek.

De Dutch Swing heeft alle stormen overleefd.
Van dat liefhebbersclubje na de bevrijding en de concerten toen waarvan banjoist Arie Ligthart zich de vele glazen whisky's herinnerde die enthousiaste Canadese en Engelse militairen de muzikanten aanboden. Achter het toneel werden ze door mevrouw Ligthart in een fles gekieperd die vervolgens elders duur verkocht werd.
Ligthart werd later niet voor niets zakelijk leider van de DSC.
Verhalen te over. Die blonde reus die in Rio de la Plata de hotelkamer van een DSC-lid binnenstormt. Hij komt uit Urk, heeft van de dominee dispensatie gekregen op zondag een concert van de Dutch in den vreemde te horen. Dus: Hier ben ik.
Of gasttrompettist Billy Butterfield die met de band naar een plaat zit te luisteren. 'Dat moet King Oliver zijn', smult Butterfield. Nee Billy, zegt de band, dat is ons orkest. 'Onzin', zegt hij, 'dit is Oliver. En maak daar liever geen grapjes over, want hij is héél belangrijk voor me geweest en speelt hier fantastisch.'

Waar of niet-waar?
Niemand weet 't meer.
De mythe-vorming heeft al lang toegeslagen
En dat betekent alleen maar dat je een instituut bent.
En dat is de Dutch Swing.
De poppetjes zijn veranderd. De muziek is hetzelfde gebleven.
Naar aanleiding van hun laatste tournee in Duitsland schrijft journaliste Sandra-Isabel Knoblauch in haar Donaukurier dat deze heren in - ik citeer letterlijk - 'Nadelstreifanzugen mit hellblauer Krawatte' goed zijn voor 'Gourmet-happen im Kommerzbrei der Musikwelt'.

En wat klinkt dat Duits dan opeens héérlijk, zestig jaar na dat Valkenbosplein.

(Radio West-column t.g.v. het 60-jarig jubileum van de DSC)

TAFEL EN BED [In memoriam North Sea Jazz in the Hague] - door Bert Jansma

Het is net als met een huwelijk van dertig jaar: je gaat echt denken dat die vrouw van JOU is.
Zo is het met een jazzfestival waar je al dertig jaar lang naar toe gaat: het is JOUW festival. Denk je.
En zo ging het met het North Sea Jazz Festival.
Ik heb er mee geleefd en geslapen, ik heb het als journalist in de krant lieve woordjes toegefluisterd, ik heb het kwaad toegesproken, ik heb het gekoesterd.
En nu gaat het weg uit Den Haag en zit ik hier voor de allerlaatste keer aan de sponde van Lady Jazz in dit echtelijk huis, het Nederlands Congres Centrum.
Het heeft iets van echtbreuk, overspel, scheiding van tafel en bed.

In de Haagse prehistorie toen er nog geen North Sea-festival was, had ik niet veel met dit grote gebouw. Ik ging er voor mijn werk toneelvoorstellingen zien in wat toen nog de Toneelzaal heette. Van John Lantings Theater van de Lach tot en met Italianen uit Sicilië die er een onverstaanbare Pirandello speelden.
En die grote zaal was vele maten te groot voor wat er toen aan muziek te horen was.
Pas toen Paul Acket zijn North Sea Jazz bedacht, ging dit gebouw voor me leven.
Het werd veranderd, uitgebreid, en na een aantal jaren van Ackets festival kon je er drie dagen lang jazz in alle hoeken en gaten horen.

Je hoeft na dertig jaar maar een willekeurige bladzij in je herinnering op te slaan en er staat Jazz.
Gisteravond hoorde ik hier het Count Basie Orchestra. De Count is er al lang niet meer, in 1984 overleden, maar ik zie hem hier nog zitten, achter het toneel met mevrouw Basie.
De Count was jarig tijdens een tournee, en Paul Acket had gezorgd voor een feestje.
Twee stoelen voor het echtpaar Basie, eromheen stoelen voor de leden van de band, en een videoscherm. Waarop Acket uit zijn eigen jazzcollectie de allereerste filmopnames van de Count liet projecteren. En daar zie je die bejaarde bandleider kijken naar beelden van zichzelf. Als een heel klein Countje, dat toen nog geen adellijke titel had, maar gewoon Bill heette, tien jaar oud was en de boogie woogie speelt.
Om nooit te vergeten.
Je hoort het massale Hebaberiba wanneer de band van Lionel Hampton weer eens spelend door de zaal trok bij een concert dat door alle toegiften altijd anderhalf keer langer duurde dan met de organisatie was afgesproken.

Je ziet de schim van Paul Acket door al die zalen waren. Van de een na de andere. Drie dagen lang. Kijkend of het goed was. Of niet. Wát publiek trok, wat misschien de volgende keer toch op een ander podium zou moeten staan. Sigarettepijpje in de mond, want roken mocht nog, handen op de rug.
En je ziet hem met de allereerste tijdschema's aankomen, toen nog het betere fröbelwerk, door hem zelf in elkaar gedraaid. Ik heb ze nog, die simpele velletjes, let op, dat worden straks de Picasso's van de jazz.

Paul Acket beklom de Olympus van de jazz en wat doen ze in Nederland met de helden die er hun medailles verdienen? Die geven ze een fiets.
Fanny Blankers Koen kreeg er ooit een. Paul Acket ook. Om op de snelste manier van zijn festival naar zijn artiesten in het Bel Air-hotel te fietsen en terug.
Wynton Marsalis
Je ziet jezelf zitten in een concert van Wynton Marsalis en zijn orkest, die een heel oud muziekstuk uit de jazzhistorie ophalen. Zóó móói.
Verderop in de rij in de zaal zit Fred Racké, wijlen Fred Racké. Tijdens het ovationele applaus kijken we elkaar aan. En ik zie dat bij Racké hetzelfde gebeurt als bij mij.
De tranen lopen over onze wangen.

Je was van mij, North Sea Jazz, van Den Haag, North Sea Jazz, en nu ga je weg, North Sea Jazz.
En dat doet pijn.
Je gaat in Rotterdam een nieuw leven beginnen. Met een ander.
Den Haag slaapt drie dagen in juli voortaan moederziel alleen.
Maar als troost onder het hoofdkussen wél dat fantastische familie-album van al die jaren van een heel - mooi - jazzhuwelijk.

(Radio West-column uitgesproken tijdens het programma van Hans Dijkstal en Michael Varekamp op zondag tien juli, de laatste dag van het laatste Haagse North Sea Jazz festival)

JAZZGRAPPEN - door Bert Jansma

De meeste jazzgrappen gaan over geld.
Goed, er zijn uitzonderingen. Bassisten willen ook nog wel eens in het ootje genomen worden.
Tik op uw zoekmachine de woordjes Jazz Jokes in en je krijgt er een veelheid van te zien op het Internet. Waarbij bassisten inderdaad de Belgen van de jazz lijken.
- Hoe kun je zien of een bassist vals speelt? luidt de vraag.
- Als-ie z'n strijkstok gebruikt, is het antwoord.
Ik citeer alleen maar, laat ik dat even benadrukken, anders krijg ik straks de hele Nederlandse bas-scene achter me aan.
Van Marius Beets tot en met Frans van der Geest. En dat zijn echt hele sterke musici.

Nee, geldgrappen zijn er veel méér.
- Hoe komt een jazzmuzikant aan een miljoen dollar?
- Antwoord: Door met twee miljoen dollar te beginnen.

-Wat is het verschil tussen een jazzmuzikant en een King Size pizza?
-Van de pizza kan een familie van vier eten.

En dan die jazzmuzikant die een miljoen dollar in de loterij heeft gewonnen en wordt geinterviewd.
De journalist: Gefeliciteerd met uw hoofdprijs, meneer. En mag ik vragen: wat doet u voor de kost?
De muzikant: Ik ben jazzmuzikant.
De journalist: En wat gaat u nu doen met dat geld?
De muzikant: Ik denk dat ik net zo lang ga werken tot 't op is.

Doordenkertje.
Er is dus blijkbaar iets raars met die jazz.
In Arie van Breda's Haagse jazzbijbel '100 jaar Jazz in Den Haag' mocht ik destijds een soort nawoord schrijven.
En daar noemde ik de jazzmuzikanten, ik citeer mezelf: 'Een rondreizend circusje met grote kwaliteiten dat - wachtend op beter en meer - graag z'n gigs speelt tegen een vaak schandalig laag honorarium.'
En dat is echt zo.
De monteur die komt kijken - let wel: alleen kijken - of mijn driftig zoemende koelkast misschien aan vernieuwing toe is, verdient voor dat dunne kwartiertje evenveel als een jazzmuzikant die een dik avondje in de kroeg speelt.

Natuurlijk krijgt die muzikant méér voor een commerciële schnabbel.
Waar-ie misschien van baalt.
Natuurlijk geeft-ie, als het even kan, óók nog les.
Zal ook niet altijd even leuk zijn.
En natuurlijk zitten er mooie podiumconcerten tussendoor die beter aantikken.
Die zijn het zout.
Maar de optredens in juist die club of kroeg zijn de pap.
Daar leert hij spelen.
Daar ontwikkelt hij z'n idioom.
Daar legt hij muzikale verbanden, vormt hij wat straks dat eigen trio of kwartet, met dat eigen geluid wordt.

Jazzmusici zijn overgeleverd aan economische wetten.
De kroegbaas moet dat honorarium wel weer terugverdienen via z'n omzet.
En een publiek dat luistert, verteert echt niet zó veel.
En die club?
In mijn nawoordje in voornoemd boek van Arie van Breda heb ik nog hoop dat Pannonica het antwoord zou worden.
Pannonica is niet meer.
Maar is er iets anders voor in de plaats gekomen?
Welnee.
En met de economie is het minder, dus er zijn ook minder kroegbazen die zich aan de jazz wagen.
En als ze jazz de ruimte geven, dan betalen ze al jaren hetzelfde bedrag.

Den Haag mist nog altijd een jazzpodium dat subsidie krijgt, zoals andere steden wél hebben, en waar musici daardoor ook normaal betaald worden.
Theater Pepijn had destijds wel zo'n subsidie waarvoor Wim van Woerkens Stichting Jazz in Den Haag afwisselend Nederlandse en buitenlandse jazzmusici naar dat podiumpje haalde.
Natuurlijk hebben we De Tobbe die dankzij Paul Beijerling en al die vrijwilligers nog eenmaal in de twee weken met jazz uitpakt.
De Regentenkamer
En natuurlijk is er de Regentenkamer.
En o ja, Carla Versluys heeft wél een bedragje voor haar Prospero in het Institute of Social Studies.
Nou nou.

Ik denk met weemoed aan dat kleine Pepijn terug waar een septet al bijna van het podum viel.
En aan Wim van Woerkens, die dat geld zag verdwijnen.
Eerst naar Theater aan het Spui.
Daarna naar de Anton Philipszaal.
Waar het nu waarschijnlijk gebruikt wordt om bij te passen voor die enkele concerten van een jazz-big band, van een zanger of zangeres, van een eventuele Ster.

Niets jazzstructuur.
Gewoon verdwenen in de concertpot.
Fluiten naar de centen.

Den Haag jazzstad?
Jawel.
Dat is het nog wel.
Ook al zegt het North Sea in 2006 Adieu Den Haag en Ahoj Rotterdam.
Er is een conservatorium. Er lopen een hoop goede musici rond die jazz willen maken.
Nog altijd.
Je vraagt je soms af of ze niet een beetje gek zijn.
Ja, gek van jazz.
Tegen beter weten in.
Ik weet óók dat het geen vetpot is, maar wat zou ik toch niet graag stiekem piano kunnen spelen als de Juraj Staniks, de Peter Beetsen, de Erik Doelmannen, of de Rembrandt Frerichsen.
Jazz is de mooiste muziek.
En als ik dan vandaag een prachtige box binnenkrijg met een retrospectief van het werk van Charlie Parker die vijftig jaar geleden overleed.- en die óók niet rijk is geworden van zijn muziek - is mijn dag weer goed.
En dan denk ik onmiddellijk weer aan een van die Jazz Jokes.

Over die jazzmuzikant die trots komt vertellen dat hij een nieuwe cd heeft gemaakt.
- En? Nog wat verkocht? vraagt een kennis.
- Ja, m'n huis, zegt de muzikant.

Ik heb nog geen jazzmuzikanten zonder oor zien rondlopen, maar verdomd, het zijn nét Van Goghs.
Niets verdienen, maar over zoveel jaar zijn hun platen er nóg.


JUST ONE SONG - door Bert Jansma

Er zijn componisten die alleen maar door één enkel stuk bekend zijn.
Ook in de jazz.
Ons aller 'Toots' Thielemans schonk de jazz zo'n compositie.

Toots Thielemans

Hij maakte er méér, maar die ene werd een jazzhit: 'Bluesette'.
Honderden muzikanten gaven er hun interpretatie van. En elke versie leverde 'Toots' weer een grijpstuiver aan rechten op. En dat kán oplopen.
'Toots' zelf noemde dat ene wereldberoemde stuk dan ook spottend, met de bekende twinkeling achter zijn brillenglazen: 'my social security number'. Mijn AOW, mijn privé pensioenfondsje.
Ik heb het voor deze microfoon al een eerder gehad over 'Strange fruit', een song als een document humain, beroemd geworden door Billie Holiday. Geschreven door Abel Meeropol, een communist die het pseudoniem Lewis Allen voor die song gebruikte en verder vooral politiek gekleurd werk schreef als 'Is there a red under my bed?'.
Nog zo een, duidelijk geen jazzstuk, maar de hele wereld kent 't: 'The beer barrel polka', met als eerste regel 'Roll out the barrel'. In Nederland kennen wij 't als 'Rats, kuch en bonen'. En dat liedje is ook al zo'n Einzelgänger van een echte componist.
Dat was een Tsjech en hij heette Jaromir Vejvoda. In de oorspronkelijke titel is de geur van bier wat minder, want die luidt 'Skoda lásky'.
Vertaald is dat 'Jammer van de liefde'.
Er is wel een verbinding met de jazz, want Jaromirs zoon heet Josef Vejvoda, was leider van de Big band van Radio Praha en van huis-uit drummer.
Op een cd met uitgesproken jazzstukken, kan hij het niet kan nalaten toch nog even een 'jazzy' big band-versie van die Beer Barrel Polka van Pa te geven.

Er is nog zo'n song die een heel eigen leven ging leiden: 'Georgia on my mind'. Velen denken dat die van Ray Charles is, maar hij is echt van Hoagy Carmichael.
Een bijzondere pianist die het tot filmrolletjes in Hollywood bracht, bijna altijd achter de piano met een sigaret hangend aan z'n lip:
'To have and have not' met Humphrey Bogart, 'Young man with a horn' met Kirk Douglas, en de western 'Laramie'.
Carmichael schreef een rugzak vol songs: 'Two sleepy people', 'Rocking chair', 'Ole buttermilk sky', en vooral 'Skylark' en 'The nearness of you'.
Maar dat ene 'Georgia' geeft hem al recht op een standbeeld.

Het aller-allermooiste voorbeeld van zo'n eenling-song is echter 'Nature boy'.
Gecovered door hónderden, maar beroemd gemaakt door Nat 'King' Cole.
En geschreven door een man die verder in de muziek geen rol meer speelde: Eden Ahbez.
Een zonderling, een 'hippie' avant-la-lettre, en een van de meest curieuze figuren uit naoorlogs muzikaal Amerika.
Een joodse jongen uit Brooklyn, als Alexander Aberle geboren in 1908, die midden jaren veertig in Los Angeles opduikt.
Hij claimt dat hij te voet al acht keer de Verenigde Staten van Oost naar West heeft doorkruist, trouwt in LA met ene Anna Jacobsen, bivakkeert met haar in een slaapzak in parken, en vertelt wie het maar wil weten dat hij als vegetariër overleeft op drie dollar in de week.
Op straathoeken geeft hij lezingen over Oosterse mystiek, met een langharig Christus-kapsel, broodmager, halfnaakt, of in bloemen gehuld.

In 1947 krijgt Nat 'King' Cole van zijn manager een wat smoezelig uitziende rol muziekpapier met een song. Manager Mort Ruby heeft die weer van een onduidelijke figuur die zijn naam alleen met kleine letters schrijft, omdat hoofdletters aan de Schepper zijn voorbehouden.
En die als 'stalker' om het theater zwerft waar Cole optrad.
Eden Ahbez en 'Nature boy' dus.
Cole twijfelt, geeft de song aan zijn bandleider Frank DeVol. Die gooit het originele walsritme eruit, maakt er een rubato-versie van, zonder vast ritme en op 22 augustus 1947 wordt het opgenomen.

Platenmaatschappij Capitol weet niet goed raad met die vage song over een 'strange, enchanted boy' die van 'very far' komt en als les heeft dat 'the greatest gift' is om lief te hebben en liefde terug te krijgen. Maar het theaterpubliek valt als een blok voor 'Nature boy'.
Cole had de rechten voor de song nog niet, en gaat op zoek naar de mysterieuze meneer Ahbez.
De overlevering wil dat hij meneer en mevrouw Ahbez aantreft, kamperend onder de eerste L van de befaamde, enorme HOLLYWOOD-letters in de heuvels boven de vallei waar de filmindustrie resideert.
Ahbez had om te overleven helaas al een handvol mensen een deel van zijn rechten op voorhand al gegeven als betaling en eindigt zelf met zo goed als niets.
Na de dood van Nat King Cole wordt dat goedgemaakt door diens weduwe die de rechten teruggeeft aan Ahbez.
Al zet Capitol records 'Nature boy' op de B-side van de single, ook de radiostations pikken het 'en masse' op en Ahbez' song wordt een nummer 1 hitsingle. Frank Sinatra, Dick Haymes, Sarah Vaughan haasten zich om hun versie ervan op te nemen.

Eden Ahbez zal zijn ongewone levensstijl voortzetten. Met weinig meer dan die slaapzak en een fruitpers. Hij schrijft nog een song, 'Land of love', voor Cole, maar dat wordt niet veel. Hij maakt nog twee merkwaardige platen voor een underground label, met hippie-poëzie-op-muziek en hij wordt gezien in de buurt van Brian Wilson wanneer die bezig is aan zijn 'Pet sounds' en 'Smile'-albums.
In 1995 overlijdt Ahbez nadat hij door een auto is aangereden.
Maar 'Nature boy' overleeft.
Nog steeds.

'Toots' hield zijn AOW aan 'Bluesette' over.

Eden Ahbez bleef alleen die mystieke legende.

Column in Jazz op West, 20.10.05

ONGEWENSTE SONORITEITEN - door Bert Jansma

Ik las het bericht in Het Parool van vorige week en m'n dag was opeens goed.
De kop van dat bericht luidde: 'Albert Heijn bant muziek uit de filialen'.

De grootgrutter had blijkbaar besloten om in 67 van zijn 700 winkels de muziek uit te zetten.
Of beter: de muzák uit te zetten.
Een daad die navolging verdient.

Mevrouw Lia Verhaar van de stichting BAM -voluit Bestrijding Akoestische Milieuvervuiling - verklaarde naar aanleiding van dat bericht 'zielsgelukkig' te zijn. En ze liet weten dat dit een moment was 'om de flessen open te trekken', een mij ook al sympathieke kreet.
Want het is echt vreselijk wáár allemaal bedrijven en instellingen een van muziek afgeleid geluidsdecor inzetten om hun clientèle in koopstemming te brengen.

Hotellobby's waar je doorheen waart op klanken van een door de gehaktmolen gehaalde Mantovani.
Liften waar je claustrofobisch wordt van gejengel uit de wanden.
Toiletten waar je niet even gewoon je behoefte kan doen zonder te moeten luisteren naar natte-zakdoeken-muziek.
Je wordt gek van die zogenaamd rustgevende, naar New Age riekende, weke brei van klanken uit een kruising tussen stofzuiger en synthesizer.

Althans zo onderga ik 't.

En wat dacht u van een café waar je net in de buurt van een luidspreker moet plaats nemen. Gesprek, vergeet 't maar. Onmogelijk. Veel gasten houden hun mond sowieso al, maar de dapperen die nog tot conversatie in staat zijn zie je elkaar verbaal benaderen in een soort mond-op-mond beademing via het oor.

Afgelopen weekend was ik in het Sparta stadion in Praag, waar Nederland tegen Tsjechië voetbalde. De einduitslag maakte heel veel goed, maar wat je daar hoorde via luidprekers uit de onderste regionen van de geluidsdivisie, was schrikbarend.
Verwoestende bassen, een schreeuwende meneer die z'n opleiding duidelijk bij de drie-ballen-voor-een-kwartje van de kermis had gehad, en een denderend geluidstapijt met hetzelfde effect als drijfzand. Je zakte er steeds moedelozer in weg.

Maar in datzelfde Praag wachtte me ook een verrassing.
Ik verbleef in het Alcron hotel, en degene die daar voor de geluidsklanken zorgde had ik zó willen omhelzen.
Ik weet niet of de BAM hetzelfde zou doen, want daar willen ze helemaal niks, en vinden dat iemand die muziek wil horen maar iets op z'n hoofd moet zetten.
In dat Alcron had ík die behoefte in elk geval niet, want daar klonk jazz.
Jawel, jazz.

En niet zomaar een Bach-met-ritmesectie à la Jacques Loussier.
Of een orkest dat wel de breedte had, maar niet de swing.
Nee, in het Alcron-hotel was het één en al big band.
Van Artie Shaw tot Fletcher Henderson. Van Bennie Goodman tot Count Basie.
Zelfs op de toiletten was het swingen geblazen en ik heb zelden zolang m'n handen gewassen als daar in Praag.
De hotelbar heette dan ook de Bebop-bar en al werd er dat weekeinde geen echte bop gespeeld, ook dáár jazz.
Met aan de bas een meneer die me deed denken aan de banjo-speler van het oude stijl-orkestje van de blinde Tsjechische pianist Jaroslav Kos dat jaren geleden in Den Haag in De Paap speelde.
En inderdaad, hij bleek, het, Ondrej Ernyei, en hij zette z'n bril even voor me af om te demonstreren hoe de tijd bij hem had huis gehouden.
In dat Praagse hotel verzorgde hij de muziek. Bedankt Ondrej!

Terug in Nederland zonk me al gauw de moed weer in de schoenen. Want in een van de établissementen op Schiphol Plaza werd weer zo hard muziek gedraaid, dat ik m'n glaasje wijn nauwelijks door m'n keel kreeg.
'Maar meneer, dat is jazz', verduidelijkte de barkeeper die me voor een André Hazes-fan aanzag..
Jazz?

Jamie Cullum

Het bleek Jamie Cullum, de door zijn platenmaatschappij als de nieuwe superster gepushte pianist en zanger.
Zijn eerste cd was leuk, zijn eerst optreden ook, een aangename kwajongen die zijn vak in nachtclubs en op cruise-schepen had geleerd. En die nu van pure blijdschap op echte podia stond te springen
Maar wanneer een platenmaatschappij je een contract aanbiedt en aan je carrière gaat sleutelen, boer pas op je kippen.
Want je kan dan wel beroemd worden, maar het woord jazz blijkt dan een etiket dat al gauw loslaat.
Zo ook bij Jamie.

Ik zag hem deze zomer achter het toneel in de Jan Steenzaal van het Nederlands Congresgebouw.
Een sympathiek ogende, gewone knul en een jazzfan blijkbaar. Die met z'n camera vanachter de gordijnen kiekjes maakte van de Echte Sterren, onder wie John Scofield.
Maar dan kom ik thuis en daar ligt zijn nieuwste cd en dvd, 'Catching tales'.
Plús een compleet boekwerk voor de pers.
Op de cd is hij inmiddels gaan zingen als een jengelend kind en dat veelbladige, in spiraal gebonden boekwerkje vermeldt trots onder meer dat:

Jamie Cullum in 2004 350 dagen werk had.
Dat hij 243 T-shirts bezit
En één paar jeans.
En dat hij 5 piano's kapot heeft gespeeld.

'Ho, ho, ho' zegt de barkeeper op Schiphol. 'Jamie Cullum heeft de jazz weer populair gemaakt'. En hij kijkt me verachtelijk aan. Omdat ik verklaar dat die overdosis keiharde Cullum inmiddels wat mij betreft ook tot de ongewenste sonoriteiten gaat behoren.
BAM.
Sorry fans.

Wat is er toch met die jazz?
Moet-ie nou altijd populair gemaakt worden door mensen die geen jazz spelen.
Iemand moet me dat toch maar 'ns uitleggen.
En ik beloof hem of haar, dat ik dan wél, en héél goed, zal luisteren.

Column in Jazz op West, 13.10.05

KLEINE GEHEIMEN - door Bert Jansma

De jazzwereld zit vol met kleine geheimen, anecdotes en mooie verhalen.
Ik kom daarop, omdat in de herhaling van Ken Burns video-serie over jazz door Hans Mantel bij de NPS, de naam Freddie Keppard viel.
Ik had die naam al geen jaren gehoord, wist dat-ie ergens tussen Billy Bolden en King Oliver een plek had in de jazzhistorie, maar dankzij de aflevering van Burns plus enig zoekwerk kreeg ik het beeld van een onbekende reus voor ogen.
Trompettist Keppard leefde van 1890 tot 1933 in New Orleans. Hij schijnt zó hard geblazen te hebben dat het bezoekers van zijn concerten sterk werd ontraden om op de eerste rij plaats te nemen, omdat dat té gevaarlijk was voor hun gestel.
Keppard had meer eigenaardigheden. Hij was ontzettend bang dat men hem zou imiteren en de loef afsteken. Nee, platen wilde Keppard eerst beslist niet opnemen, want dan kon men horen 'hoe-ie-'t-deed'.
Hij schijnt z'n trompet op de Bühne zelfs gespeeld te hebben met een zakdoek over zijn hand. Opdat zijn publiek maar niet zijn vingerzetting zou kunnen afkijken.

Het doet me denken aan een verhaal dat trompettist Ack van Rooyen me vertelde over orkestcollegae die zorgen dat ze hun mondstuk altijd in hun zak hebben en dat - ná het spelen - daar meteen weerin laten verdwijnen. Niemand mag hun 'geheim' zien.
Ack is te wellevend om namen te noemen, maar kinderachtig vond hij het wel.
Nee, dan Louis Armstrong die in de nadagen van Keppard diens troon dreigde over te nemen. 'Boy, let me have your trumpet' zei de oude koning Keppard als bezoeker tijdens een optreden van Armstrong. Hij kreeg 'm, en hij blies en blies en blies, vertelde later Lil Armstrong. Met als resultaat een 'big hand' van de zaal. Maar kroonprins Louis had inmiddels steeds gloeiender de pest in over deze muzikale broodroof.
Pianiste Lil Armstrong beet haar 'Pops' toe 'Now, get him, get him'. En Armstrong got him. Hij blies al z'n agressie weg in een navolgende solo, die het publiek stampend van enthousiasme boven op tafels en stoelen bracht.
'Nobody ever asked Louis for his trumpet again', is het slot van het verhaal van Lil' Armstrong.
Mooie muzikale versie van een troonsafstand en een troonsbestijging.

Er zijn honderden van die kleine geheimen uit de jazzhistorie op te diepen.
Een sprong in de tijd, maar heeft U zich wel eens afgevraagd waarom saxofonist Paul Desmond na zijn vaste plek in het kwartet van pianist Dave Brubeck te hebben verlaten, nooit meer in combinatie met piano te horen is geweest?
Alleen met groot orkest of - vooral - met gitaristen als Jim Hall?
Wel, in zijn contract met Brubeck schijnt gestaan te hebben dat hij levenslang nóóit met een andere pianist dan de grote Dave in een jazztrio of kwartet zou mogen spelen.
Ik wist 't niet.
Ik heb 't uit de 'liner notes' van een van de bekendste Amerikaanse jazzscribenten, dus als ik lieg doe ik dat in commissie.

Boeiende man trouwens, die Paul Desmond.
Een saxofonist met een vlekkeloze toon en eigenlijk als musicus groter dan baas Brubeck.
'Take five' was een compositie van Desmond. In zijn testament schreef de man die wel grossierde in glamoureuze vriendinnen maar ongetrouwd bleef, dat de revenüen van die song naar het Rode Kruis mochten.
En zijn vleugel schonk hij aan Bradley's, wijlen de New Yorkse jazzclub van Bradley Cunningham.
Desmond was een van de weinige saxofonisten die niet beïnvloed werden door Charlie Parker. Voor wie hij overigens wél grote bewondering had. Ooit liet iemand hem het uitgeschreven notenbeeld zien van een Parker-solo en Desmond riep uit: 'Mijn God, dat is niet menselijk meer'.
Zelf wilde hij klinken als een 'dry martini'.
En dat deed-ie.
Het is een inmiddels klassieke uitspraak van de saxofonist.
Desmond kon ook zeer goed schrijven en het is genieten bij de ingehouden, cursieve humor van zijn eigen 'liner notes'.
Zoals het verhaal van de opname van zijn plaat 'Bossa antiqua' voor producent George Avakian.
Wanneer die laatste een keer driftig gesticulerend de controlekamer uitrent bij het horen van vreselijke 'changes' die Desmond bedacht heeft voor de song 'Heartaches', schrijft Desmond bijna monkelend van zelfspot: "En dát is een soort muzikale mijlpaal. Want George ondergaat meestal sereen glimlachend de meest desastreuze 'takes', hopend dat er ooit nog iets goeds zal gebeuren dat hij er later in kan monteren".
Desmond gebruikt de 'changes' voor 'Heartaches' daarna toch nog, maar laat de melodie compleet vallen. "De schrijvers van 'Heartaches' zullen zich dus niet laten zien om royalties te innen", schrijft hij dan. "Maar mochten ze zin hebben om langs te komen voor een borrel, ik ben meestal thuis tussen 4 en 6."
Diezelfde producer Avakian had er een handje van om tijdens opnames in de controlekamer voortdurend aan de telefoon te hangen. Eén van de 'takes' van diezelfde elpee 'Bossa Antiqua' stond erop, maar Avakian zat nog steeds achter het glas van zijn 'controll booth' met de hoorn aan 't oor.
Dus ging Desmond koel de studiodeur uit, begaf zich naar de dichts bijzijnde telefooncel en belde Avakian: 'Hallo, Paul hier. En, hoe vond je onze laatste 'take'?
Mooie man, die Desmond, die ooit vele malen achtereen de Down Beat publieks poll won en één keer de Critics Poll. Toen - na enkele wereldhits - de belangstelling voor het Brubeck kwartet én hem verminderde, zei hij 'Ach, ik was al uit de mode voordat iemand me kende'.

Wie kent Desmond vandaag nog? Ik ben bang dat ook hij tot een van de geheimen van de jazz is gaan behoren.
En dat is - vind ik - toch heel erg jammer.

Column in Jazz op West 6.10.05

MUZIEK MET EEN BIJSMAAK - door Bert Jansma

Er zat een luchtje aan het huis van mijn pianojuffrouw.
Nee, alles in het nette.
Want ze was keurig getrouwd, alleen zéi je toen nog: juffrouw.
Vandaag de dag zou je haar bij haar voornaam noemen. En wie weet was ik dan verder gekomen met mijn pianospel.

Nee, dat luchtje was écht een luchtje.
Het róók er.
Een onbestemde geur ergens tussen bloemkool, schoonmaakmiddel en Airwick in.
Dat luchtje is niet de reden dat ik met pianoles stopte en Czerny's Schule der Geläufigkeit verliet. Maar dat luchtje is wel in m'n leven blijven terugkomen, steeds als er iets was waar tevéél de grote P van Plicht op rustte.
Want zulke luchtjes zijn een soort eilandjes van geur in je herinnering die zich zomaar, zonder dat je er iets aan kunt doen, aan iets heel anders kunnen verbinden.

Een soort synesthesie.

En dat is een moeilijk woord voor, opgelet want dat heb ik even voor u opgezocht: de mentale en onlosmakelijke verbinding tussen twee zintuig-domeinen.
Dat betekent dat iemand bijvoorbeeld een kleur kan horen, of een geluid zien.

De verbinding tussen zintuigen kan in principe heel simpel zijn. Zoals in het voorbeeld van mijn pianojuf.
Je ziet dat boek met vingeroefeningen van Czerny terug en je ruikt die geur. Gewoon een associatie.
Maar echte synesthesie is complexer.
Getuige een merkwaardig krantenbericht dat ik tegenkwam.
Dat ging over een zevenentwintigjarige blokfluitiste, Elizabeth Sulston.
Haar geval wordt beschreven in het blad Nature en ze is er voor onderzocht door Zwitserse neurologen. En als dát niet serieus is.

Mevrouw Sulston krijgt een vreemde smaak in haar mond als ze muzikale intervallen hoort. Ze proeft ze. Echt.
Een kwart smaakt bij haar naar gemaaid gras.
Een reine kwint naar zuiver water.
Een kleine terst is zoutig.
Een grote terst is zoet.
En een grote sext smaakt naar vetarme room.

Elizabeth Sulston zit er blijkbaar niet mee. 'Het kwam goed van pas bij het onderscheiden van die intervallen', zegt ze op de website van Nature. 'De sensatie van het luisteren naar muziek zou zonder deze synesthetische perceptie veel minder intensief zijn', denkt ze.
En ze gaat verder met haar proeverij.

Een octaaf smaakt naar niks, het kleine septiem en de grote secunde, samen een octaaf, smaken allebei bitter.
Het grote septiem en de kleine secunde zijn zuur.
En een verminderde kwint smaakt naar - walging.

Hoe smaakt walging, vraag je je dan af.
Waarschijnlijk net als mijn combinatie van bloemkool, schoonmaakmiddel en Airwick.

Ik vind het wel een mooi verhaal van die mevrouw Sulston. En ik vraag me af hoeveel musici dat hebben.
Heren of dames, laat 't even weten.

Met mijn eigen geval hoef ik in elk geval niet bij de neuroloog aan te komen.
Niks mis met mij wanneer Miles Davis in L'ascenseur pour l'echafaud voor mij klinkt als vervliegend verdriet. En dat de manier waarop Cannonball Adderley van de ene noot naar de andere glijdt, gewoon puur lekker smaakt.
En hoor ik Teddy Wilson pianospelen, dan is het net alsof ik naar een leeg, hemelsblauw zwembad in een zonnig land kijk, waar de wind mooie rimpelingen in laat neervlijen.

Muziek is tenslotte gevoel. Is emotie.

In de jazzmuziek is de kleur blauw belangrijk.
Blue.
Er zijn vrolijke blues, happy blues, maar als je de hele dag met de blues rondloopt ziet het er verdomd slecht voor je uit.

Het brengt me bij een historisch geval van een heel bijzonder staaltje van dat 'blauwe' gevoel.
In de eerste helft van de vorige eeuw was er een componist en orkestleider, Georges Boulanger.
Hij schreef een lied dat geschiedenis maakte, 'Sombre dimanche'. Ook bekend als Trauriger Sonntag of Gloomy Sunday.
De Engelsen hebben er nóg een naam voor: 'The song forbidden in Budapest'.
Meneer Boulangers lied is daar namelijk echt verboden geweest.
Omdat het honderden bij het horen van zijn voorlaatste akkoord zwart voor de ogen werd.
En zij zich uit het raam stortten.
De straten zagen zwart van de doden, luidt het verhaal.
Gloomy Sunday werd De Zelfmoord-song.
Zelfmoord uit Weltschmerz of luduvudu met een duwtje van dat ene akkoord van Boulanger in de rug.
Een es, een g, een b, een des en een f.
Voorafgaand aan een slot in C-mineur.

Een wel heel sterke verbinding van gevoelssensaties, dat Sombre dimanche.
In het boek Schindlers Ark schijnt beschreven te staan hoe joodse concentratie-kamp-violisten het lied voor een dronken SS-officier speelden. Die daarna zo verward en sentimenteel wordt, dat hij over de balustrade stapt.

U bent dus gewaarschuwd.
Want de mogelijkheid dat u die Sombere Zondag tegenkomt is niet gering.
Billy Holiday zong het en het staat op de plaat.
Branford Marsalis
Saxofonist Branford Marsalis speelt het lied op zijn laatste cd 'Eternal'.
En elk zichzelf respecterend zigeunerorkest heeft het op z'n repertoire.
Meneer Georges Boulanger is trouwens van nóg een lied bekend.
In het Engels heet het 'My prayer'.
Maar de oorspronkelijke Franse titel luidt 'Avant de mourir'.
Vóór het sterven.
Leuk hoor, als je ook al een zelfmoordsong op je geweten hebt.
Dat noem ik, zonder synesthesie, gewoon: zwart-gallig.


STERREN STRALEN OVERAL - door Bert Jansma

Vorige week was ik bij jazzpianist Rob Agerbeek.
Rob zit dit jaar vijftig jaar in het vak, dus tijd voor een gesprek.
En aangezien Agerbeek in die jaren heel wat internationale sterren van de jazz heeft begeleid kwamen er evenzovele anecdotes los.
Van Art Blakey, die hem meenam op een Europese tournee. Want Blakey's váste, Amerikaanse pianist was bij de douane op het vliegveld van Londen blijven steken, omdat hij de verkeerde bagage in zijn tas had.
Als u begrijpt wat ik bedoel.
Blakey vroeg zelfs aan Agerbeek of hij mee naar New York wilde in zijn ritmesectie. Agerbeek bleef toch maar hier, waar hij onder meer saxofonist Gene Ammons moest begeleiden.
Vóór het concert, kruipt Agerbeek nog even achter de vleugel, om zijn vingers los te spelen. En verdwaalt even in een oerliefde van hem, de boogie-woogie. Opeens voelt hij een stevige hand in zijn nek en hoort de stem van Gene Ammons, die ontroerd en verbaasd tegelijk zegt: 'You play my Dad'.
Want Gene Ammons was de zoon van Albert Ammons en die was weer een van de hele groten in het boogie- en stride-idioom. En in die Ammons was Agerbeek zéér thuis.
Een paar voorbeeldjes hoe gemakkelijk contacten in de jazz soms gaan. En dan heb ik 't natuurlijk niet over Miles, want die had een eiland, een heuvelrug en een oerwoud van ondroordringbaarheid rond zichzelf gecreëerd.
Maar al die anderen. Ik herinner me Tim Braaksma, veel te jong overleden en organisator van jazzconcerten in de Rijswijkse Schouwburg. Die in die tijd nog gewoon de aula van een school was. Blakey speelde er met The Messengers en was na afloop bij Braaksma thuis te vinden.
Ik kom er binnen en zie een zeer zwarte man over de grond kruipen. Met het dochtertje van pak-weg vijf van de Braaksma's. Beiden ingespannen boven vellen papier, tekeningen voor elkaar makend. Prachtig.
Natuurlijk gaat 't altijd om de jazzmuziek zelf, maar tóch. Ik vond de directheid, de dichtbij-heid en de vanzelfsprekendheid van contacten met jazzmusici indertijd een verademing. Ik had voor mijn werk heel wat filmsterren geïnterviews. Dat was andere koek. Ik herinner me in Hamburg Tom Cruise, toen net doorbrekend met de film 'Top Gun'. Een koele, keurige jongeman, die voortdurend Sir en Yes Sir tegen je zei. Later mocht ik Cruise nogmaals interviewen in Londen. Maar daar bleek 't om een groepsgesprek met een horde journalisten te gaan, waarbij je aan de deur ook nog een papier moest tekenen dat je je tekst alleen, maar dan ook alleen, zou gebruiken in samenhang met de nieuwe film van Cruise. Dat zogenaamde interview heb ik maar overgeslagen.
De face-to-face interviews zijn schaars geworden in de filmindustrie. Het begon met Kirk Douglas, die - in Hamburg - voor een tiental journalisten bijna een lezing gaf. Nee, vragen hoefde je niet, hij vertelde wel.
Leuk, maar een interview, nou nee.
Bij Al Pacino voor de film 'Sea of love' bleek een complete hotelsuite in Rome zelfs stampvol journalisten die allemaal tegelijk hetzelfde wilden weten.
En tegenwoordig heet 't 'tablehopping': een contingent journalisten aan tafeltjes en de Ster komt wel een paar momenten bij je langs.
Nee, in de jazz is dat anders.
Roy Hargrove
Roy Hargrove die bij zijn bezoeken aan Den Haag en de nachten in het Bel Air-hotel onbenaderbaar is, omdat hij voortdurend die trompet aan z'n mond heeft, bleek in zijn New Yorkse 'loft 'een rustige prater die je op zijn gympen op straat nog even de weg wijst.
En die in die 'loft' een piano had staan waarop hij nog even liet horen daar óók de weg te weten.
En die mooie tenorist Joe Henderson op zijn New Yorkse hotelkamer. Een uur interview voorbij, nog een uur, cassette-bandjes op, blocnote op tafel. Het worden vier uren, ik voel me wat beschroomd: Mister Henderson, als ik teveel ben, moet U 't echt zeggen.
Welnee, zegt Henderson, en vertelt nog van toèn, in Amsterdam, in Krasnapolsky, met pianist Frans Elsen.

Of een grote man als Wayne Shorter. Ik had hem ooit in het Amsterdamse Hilton geïnterviewd en daar was zijn later, bij een vliegtuigongeluk, omgekomen echtgenote nog bij. Een handvol jaren later ontmoet ik Shorter weer. Ik laat hem het knipsel van dat eerdere interview zien. Met een foto waarop zijn overleden vrouw nog net zichtbaar is.
Wayne Shorter begint, zonder enig overdreven sentiment, gewoon, heel zacht voor zich uit, even een gesprekje met haar op de foto: Daar ben je, baby. Ontroerend en menselijk.

Of een Joe Zawinul, die mijn cd-tje met zijn muziek van tafel veegt, en zegt: 'Ja, dat weten we nu wel. Wil jij ook een glas?'
En hij haalt de slivovitsj van onder tafel, schenkt in en begint gewoon te vertellen.
Nogmaals, het gaat om de muziek. Maar zulke momenten koester je.
Dat gesprek bij Michael Brecker thuis. In Hastings on the Hudson, vlak boven New York. Brecker is geen grote prater, het komt er wel uit, maar aarzelend, met reserves.
Als ik weg ga, legt hij een hand over mijn schouder. Met iets van: jongen, we hebben ons best gedaan, meer kunnen we ook niet.

Om niet te vergeten

Jawel, Sterren stralen overal. En verdomd, jazzmusici zijn net mensen.

(Column uitgsproken in februari 2005)

Joe Zawinul
DE THUISKOMST VAN JOE ZAWINUL
- door Bert Jansma

Hij begon in Wenen als Wunderkind op de accordeon in Wenen. En werd de enige Europeaan die in Amerika de jazz wezenlijk be‹nvloedde. Nu verschijnt zijn eerste symfonie op cd: 'The story of the Danube'

Op tafel ligt muziekpapier en een pen. Er staan zo'n tien maten op de notenbalken ingevuld. De rest moet nog komen. Joe Zawinul zit er bij, stoel omgekeerd, hangend over de rugleuning. ,,Telkens waneer jullie journalisten me even met rust laten, schrijf ik weer een maat''. Hij heeft een Cubaanse sigaar in z'n mond en een van die fameuze oosterse petjes op z'n hoofd. ,,Tijd, ik heb veel te weinig tijd'', zegt hij. Hij is bezig aan een 'mediterraanse suite' voor acht violen, twee altviolen, twee celli, bas en synthesizers. Binnenkort is de wereldpremière in het Italiaanse Pescara.
Op 7 juli wordt Joseph Erich Zawinul 64, maar zijn muziek blijft onvoorspelbaar. Een van de weinige blanken en in elk geval de enige Europeaan die in Amerika de jazzmuziek wezenlijk be‹nvloed hebben. Een Oostenrijker die naar Amerika trok, daar de jazzmuziek absorbeerde en naar zijn hand zette. Bij Cannonball Adderley hielp hij diens 'soul sound' defini‰ren met stukken als 'Mercy, mercy, mercy' en introduceerde de Fender Rhodes electrische piano. Voor Miles Davis schreef hij de baslijnen voor een aantal van diens platen en het titelstuk voor 'In a silent way'. De Weense muzikant die als Wunderkind begon op de accordeon bij orkestjes in klederdracht werd de spil in de nieuwe jazzrock-muziek toen hij met Wayne Shorter Weather Report oprichtte. 'Muziek die verandert zoals het weer', wilde Zawinul. Shorter kwam met de passende naam. Vijftien jaar bestond de band en vijftien jaar stond hij bovenaan de 'polls' in jazzblad Down Beat. Zawinul een fusion-idool, de Rubinstein van de syntheziser, ontwierp zelf een via adem gestuurde variatie daarop (Korg Pepe). 'Play electric, sound acoustic' was zijn motto.
Op het Philipslabel is net zijn 'Stories of the Danube' uit: een symfonisch werk in zeven delen. Het verhaal van de 'sch"ne blaue Donau', van Donau-Eschingen tot aan de Zwarte Zee. Een programmatisch mozaiek, gespeeld door de Tsjechische Staatsphilharmonie van Brno onder Casper Richter. Met hemzelf op keyboards en zingend via de Vocoder (stemomvormer), verder begeleid door muzikanten uit Turkije en India, Amit Chatterjee, Burhan ™cal en Arto Tuncboyaciyan. Van het ontspringen van de Donau naar muzikale suggesties van het KuK Oostenrijk van Franz Joseph. Van de lange zigeunerjammerklacht van een volk zonder land naar een Donaulied. Van de geluiden van de tweede wereldoorlog, marcherende laarzen, sirenes en een gebed, via de Turkse geluiden van het Ottomaanse rijk naar een vredige finale.

Folk music

,,I come from folk music'', zegt Zawinul in een Amerikaans dat van pure 'slang' met Weens accent ongemerkt in Oostenrijks overgaat. Hij werd geboren in Wenen, uit een familie met Hongaars, Tjsechisch en zigeunerbloed (sinti). Hij werd een muziekzigeuner die snel leerde, invloeden verwerkte en er iets eigens van maakte. Maakt, want hij is nog altijd bezig. Straks staat hij met het Zawinul Syndicate (12 juli) op het North Sea Jazz Festival. ,,Ik vind het zinloos om achterom te kijken'', zegt hij.
'Stories of the Danube' schreef hij in opdracht voor Karl Gerbel van het Bruckner Haus in Linz voor de Linzer Klangwolke, waar hij al eens met Friedrich Gulda gespeeld had. Het werd er voor het eerst opgevoerd op 12 september 1993. Het zou een openluchtopvoering worden, maar het weer zat niet mee. Langs de rivier luisterden duizenden naar de luidsprekers vanuit het concertgebouw, vertelt Zawinul. ,,Ik had ooit een Donaulied gemaakt en dat aan mijn agent in Wenen gestuurd. Die heeft het anderen laten horen en toen kwam die opdracht. Ik was een even gelukkig mens geweest, als-ie nooit was gekomen, maar nu heb ik wel de smaak te pakken. Ik heb het inmiddels in Sao Paolo opgevoerd, en ik zie me het nog wel eens doen in Budapest langs de oevers van de Donau. Of misschien in het Concertgebouw in Amsterdam. Ik merk wel dat klassieke orkestmuzikanten vaak beperkt zijn. Ze hebben weinig bijgeleerd sinds ze van school kwamen. Kunnen maar moeilijk overweg met mijn muziek. Die is vaak erg syncopisch en ze kunnen slecht 'rusten' lezen''. Hij pampamt hardop een serie achtste noten gevolgd door langere: ,,Die spelen ze altijd te snel''. Hij ziet er nog wel een taak in, omscholen van orkesten. ,,Musici zijn ontzettend 'turned on' als ze mijn muziek spelen. Ik praat niet met ze als een Karajan. Ik praat als een vriend, niet als een terrorist''.

Brno

Voor de opnames van de cd ging hij vanuit Wenen naar het Tsjechische Brno. Een sentimentele reis. ,,In de oorlog hadden we absoluut niets meer te eten in Wenen. Mijn grootvader had een boerderijtje in Moravi‰. Daar kon ik naar toe. Om op het land te werken en voor bijvoeding. Ik ben er nu voor het eerst opnieuw langs gegaan. Mijn grootvader leeft allang niet meer, maar in dat dorpje was nog niets veranderd. Ook het boerderijtje stond er nog. Ik durfde er niet binnen te gaan. Ik heb wel met mijn hand langs het hout van de deuren gestreken. En ik voelde precies wat ik als jongetje voelde''.
In Wenen was het ouderlijk huis weggebombardeerd en er was honger. Zawinul kwam met school weer in Tsjechi‰ terecht. En hoorde er de eerste jazz van een vriend die stride-piano speelde: Fats Wallers 'Honeysuckle Rose'. In de na-oorlogse chaos zou Zawinul zijn brood gaan verdienen op een drukkerij. Maar hij was rusteloos, begon in 1948 wat te verdienen met muziek, luisterde naar jazzplaten en pikte zijn eerste bebop-'licks' op van 'Lullaby of Broadway'. Hij maakte naam, speelde in de stijl van George Shearing in de Weense Tabarin-club, hoorde Amerikaanse muzikanten en wilde weg. Zawinul schreef zich in voor een wedstrijd van het blad Down Beat en won een beurs voor het Amerikaanse Berklee Jazz College. Hij heeft er maar heel even gestudeerd, want hij werd al direct als pianist gevraagd door orkestleider Maynard Ferguson. Daar werd hij - samen met Wayne Shorter - ontslagen omdat ze te eigenwijs waren en hij ging Dinah Washington begeleiden. Het begin van zijn Amerikaanse leven.

Tekening

,,Al die muziek voor 'Stories of the Danube' is net zo ontstaan als al mijn andere werk. Elke noot is ge‹mproviseerd. Ik ben drie dagen aan de synthesizer gaan zitten en heb vier uur muziek bij elkaar gespeeld. Die ben ik gaan orkestreren. Ik heb een simpele tekening gemaakt van een orkest en die voor m'n neus neergelegd. En mezelf afgevraagd: waar wil ik dat het geluid vandaan komt? Zo heb ik mijn improvisaties tot orkestpartij bewerkt. Synthesizers zijn daarbij mijn grootste hulp. Je kan er alle geluiden en instrumenten instoppen. Mijn verbeelding krijgt er de grootst mogelijke vrijheid door. Die zigeunermelodie‰n, die Turkse melodie‰n, alles is van mij. Er komt geen noot uit een andere bron. Ik ken die muziek, ik heb die muziek doorleefd. Iemand die de Donalanden kent, zal het voelen: deze muziek is als een thuiskomst''.
Muziek, zegt Zawinul, is het doorgeven van een gevoel. Improvisatie is de basis. Zo schreef hij de arrangementen voor 'Amen', het wereldsucces van de Westafrikaanse zanger Salif Keita. ,,Ik kende hem niet, maar hij bleek opgegroeid met de muziek van Weather Report en gek van mijn 'Black market'. Ik zal jouw Afrikaanse muziek in zijn waarde laten, zei ik, maar laat mij er m'n gang mee gaan. Al mijn improvisaties heb ik daarna als composities gecopyright. Muziek moet direct zijn. 'Fuck the notes', het gaat om gevoel. Dat heb ik geleerd van de zevenendertig jaar dat ik alleen maar met zwarte muzikanten ben omgegaan. Ben Webster heeft bij mij gewoond, Coleman Hawkins was onze buurman. Ergens in Europa moeten nog de banden zijn die Ben Webster thuis van ons gemaakt heeft''.

Egotist

Plotseling in Engels en Duits tegelijk: ,,Ik ben een egotist. Nicht voreingenommen, nicht eingebildet. Ik luister naar mezelf en speel wat ik voel. Ik heb al jaren niet naar anderen geluisterd, misschien niet goed, dat geef ik toe. Ik ben me er nooit van bewust geweest dat ik dingen vernieuwde. Die synthesizers waren gewoon een voortzetting van de accordeon uit Wenen. Ook een vorm van keyboards. En aan die accordeon plakte ik toen al allerlei dingen vast om het geluid te be‹nvloeden''.
Jazzrock, een symfonisch gedicht en straks die mediterraanse kamermuziek. Er zijn geen grenzen voor het zigeunerbloed van Joseph Erich Zawinul. Hij luistert trouwens niet alleen naar zichzelf, bekent hij dan. Ook naar zijn vrouw Maxine. 'A great judge', zegt hij. ,,Zij hoort meteen of iets goed beweegt, of iets goed in elkaar steekt. Ik vertrouw volkomen op haar. Ze maakt ook de omslagen voor mijn albums. Zij is The genius in de familie. Ik ben de hardwerkende jongen die het geld binnenbrengt''. De muzikale wereldburger steekt nog een Havana op en zegt nog altijd 'fun' te hebben: ,,We hebben een 'fun family'. Ik ben grootvader en dat is iets heerlijks. De geur van die kleinkinderen als je ze vasthoudt, die onschuld. De familie, méér is er eigenlijk niet. Al het andere moet daar omheen passen''. Zijn zoons heeft hij genoemd naar zijn twee grootvaders, de Tsjech en de Oostenrijker. Hij denkt aan Wenen en noemt zichzelf 'kein Musiker', maar 'ein Musikant'. Iemand die het 'natuurlijke en het geleerde' naast elkaar bezit.
,,Die grösste Ehre in Wien'', zegt hij.

Interview bij het uitkomen van Zawinuls 'Stories of the Danube'

Lizz Wright
LIZZ WRIGHT Van gospel naar jazz
- door Bert Jansma

De elfde juli 2002 was D-day voor Lizz Wright. Een onbekende jonge Amerikaanse uit Georgia die meedeed aan het Billie Holiday Tribute concert in Chicago. Een dag later schreef de Chicago Tribune 'dé ontdekking van de avond, met een mate van spiritualiteit die je bij weinig jonge jazzartiesten tegenkomt'.
Inmiddels heeft Lizz Wright (23) haar debuut-cd gemaakt ('Salt') en staat ze voor het eerst in een festival buiten Noord-Amerika. Een tengere zangeres die kerk en gospel heeft verruild voor songs met vaak aan poëzie grenzende, eigen teksten. Van introspectie, zoeken en een houding in het leven. Warm uitgezongen met de de resten van de gospel in een altstem vol emotie.
Haar weg is een bijzondere. Opgegroeid in een religieus gezin in Hahira, Georgia, haar vader predikant-voorganger in de kerk, haar moeder die er gospels zong. Daar zou ook de toekomst voor dochter Lizz liggen. Maar Lizz wilde anders. Zingen. "Op m'n high school had ik in een gospelgroep gezongen, na school wilde ik aan de Georgia State University zang gaan studeren. Maar daar had je voor nieuwkomers alleen een klassieke klas. Aria's uit Italiaanse opera's. Erg moeilijk voor me, omdat ik toen niet voelde wat dat met mijzélf te doen had. Ik dwaalde af, kon me niet concentreren en ben weg gegaan. Terug naar huis. Maar ik ben muziek blijven doen, er met mensen over praten. Over jazz en al wat erbij hoort. Muzikanten, leraren en vrienden kwam met lange lijsten met namen van zangeressen. Ik heb naar iedereen geluisterd. Van Bessie Smith en Dinah Washington tot Nancy Wilson en Betty Carter".
Allemaal nog ongericht, tot ze die avond meezong met de groep In the Spirit van pianist Kenny Banks. "Ik zong gospels, maar moest een toegift doen. En ik had niets. Toen speelde Kenny een ballad met veel soul, met een hoop blues en ik kon er zomaar in mee. Opeens had ik het gevoel dat dít was wat ik al die tijd vermoedde, maar nog niet zeker wist".
Het werd niet het begin van de klassieke successtory. Want de serieuze Lizz Smith wilde dan wel zingen, maar het moest ook ergens over gáán als er een cd kwam. Chick Corea's 'Open your eyes, you can fly', bekend geworden door Flora Purim, koos ze, een bewerking van de Vocalise van Rachmaninoff, een traditioneel 'Walk with me Lord', Mongo Santamaria's 'Afro blue'. Maar vooral stukken als 'Eternity', 'Silence' en 'Blue Rose' die ze zelf schreef. Muzikaal ingekleurd door topmusici als Brian Blade als arranbgeur-producer. Veelkleurig, uiteenlopend van strekking én autobiografisch."Die stukken reflecteren die periode in mijn leven. Er was zoveel aan het veranderen. Ik kwam van platteland-Georgia en nu woonde ik opeens in New York. Ik was zo goed als 'minister' in de kerk van mijn ouders en nu zong ik in clubs. Ik schreef en schreef, wat ik altijd doe als ik nadenk. Pas toen er een aantal songs op papier stonden, begreep ik wat alles met elkaar te maken had".
Haar ouders waren niet gelukkig met die dochter die overdag in een coffeeshop in New Jersey werkte en 's avonds zong in een avondjurk. Ze zagen al die rokerige jazzkelders, de tafeltjes vol drank al voor zich. Vader Wright wilde er al helemaal niets van weten. Lizz Wright: "Mijn moeder is zo'n 'beautiful soul' (prachtige ziel). Zij heeft de muziek binnen de familie gebracht. Wat ik doe is een uitvloeisel van haar kracht en energie. Zij begon me zo lang te ondervragen over wat ik nu precies wilde, tot ze 't begreep. En het verband zag tussen mijn vroeger en nu. Ze luisterde naar mijn cd en vroeg mijn vader óók te luisteren. Die belde me in New York op en zei: 'Sorry kid dat ik niet eerder naar je heb geluisterd. Ik was er te nerveus voor. But I really like it. Je moeder en ik hebben op je muziek gedanst in de keuken".
Lizz Wright is er blij mee. Maar over alles rondom die eerste cd is ze voorlopig terughoudend: "Muziek is geen business. Het onder de mensen brengen ervan wél. Dat weet ik. En dat kan zeker uit de hand lopen. Maar het is simpel voor me: ik wilde destijds iets en nu kan ik dat doen. De cirkel is rond. Maar ik moet me altijd blijven realiseren wie ik ben en waarom ik op dat podium sta. Ik kijk vooruit naar dat grote festival in Den Haag. Maar ik zou ook graag mijn songs in de kerk zingen. Zingen voor een publiek dat er niet voor hoeft te betalen. Dat mis ik".

Interview HC Bijlage North Sea jazz 2003



Terri Lyne Carrington
Terri Lyne Carrington
- door Bert Jansma

Opa's drumsticks waren het begin

Jaren geleden riep Dizzy Gillespie het al: 'Oooowee Man, she's mean! She's good, man! That little girl can play!'. Terri Lyne Carrington is al lang geen 'little girl'meer, en dat ze kan drummen weet heel de jazzwereld inmiddels. Ze speelde met Stan Getz, in de band van Al Jarreau, ze maakte deel uit van M-Base, drumde bij Wayne Shorter en het kwartet van Herbie Hancock. Een aantal jaren geleden kwam ze op internationale festivals in Europa opeens in beeld. Een tengere donkere jonge vrouw met dreadlocks die de drums sloeg als een kerel en een uitstraling had van: kijk mij hier 's zitten, let op mij! Een vrouw achter een instrument dat stilzwijgend tot het terrein van de jazzmannen werd gerekend.
Voor Terri Lyne Carrington was het de gewoonste zaak van de wereld. "Ik heb er als kind nooit een moment aan gedacht dat mensen daar van opkeken. Ik werd me er pas van bewust naarmate ik ouder werd. Jazzpubliek dat me als een curiositeit zag. Ik heb m'n hele leven lang jazz gespeeld en ik wist niet beter. Natuurlijk is jazz traditioneel meer het terrein van mannen dan van vrouwen. Op zangeressen na dan. Maar waarom? Het is nu aan het veranderen zoals het overal in traditioneel door mannen overheerste gebieden van de samenleving gaat. Maar die hele man-vrouw issue wil ik vergeten. Ik maak muziek. En er zijn maar twee soorten muziek. Goede en slechte".
Het verhaal van Terri Lyne Carrington en de jazz is een bijzonder verhaal. Haar grootvader Solomon Matthew Carrington II was drummer in Boston en speelde met alle jazzgroten die zijn stad aandeden. Na een 'gig'met saxofonist Gene Ammons in 1965 stapte hij van het toneel en zakte in elkaar. Een paar maanden na zijn dood in 1965 werd Terri Lyne geboren, dochter van Solomon (Sonny) Matthew Carrington III, amateur-saxofonist. Ze begon al snel op de sax van pa te spelen en aangezien musici als Illinois Jacquet en Rahsaan Roland Kirk kind aan huis waren bij de Carringtons, kreeg ze adviezen, lessen zodat ze op haar vijfde al 'Tangerine' kon blazen. Tot ze ging wisselen, haar tandjes kwijt raakte en het gedaan was met de sax. Een klein drama dat door vader Sonny werd opgelost door zijn dochter Opa's drumsticks te geven. Terri blééf drummen, werd als snel beschouwd als een wonderkind en speelde op haar tiende (!) al met een grootheid als trompettist Clark Terry. "Natuurlijk geen Coltrane, maar dingen die ik gemakkelijk kon begrijpen. Als je de blues begrijpt, kan je vandaar uit naar complexere vormen groeien. En mijn vader speelde alle soorten blues voor me, Jimmy Smith, James Brown, B.B.King. Ik had al gauw die 'blues feeling' en ik was een natuurtalent. Ik kon meteen maat ('time') houden".
Terwijl ze zit te vertellen wordt haar halve huis in Los Angeles omver gehaald, omdat er een vloer gelegd moet worden. De telefoon valt op de grond in tweeën en wordt weer in elkaar geschroefd, de hond smeert 'm door de openstaande deur en moet teruggehaald worden en de piano dient met beleid te worden weggerold. Ze koos voor Los Angeles om het klimaat en de 'health culture'. "Je hebt hier niet zo'n hardcore jazzcultuur als in New York, van jazz alleen zou ik hier niet kunnen leven. Je doet studiowerk, je speelt met allerlei meer pop-georiënteerde bands. En daar heb ik geen enkele moeite mee. Ik wil een 'total musician' zijn".
Ze werd in Amerika pas een Bekende Persoonlijkheid toen ze meespeelde in de tv-show van komiek en acteur Arsenio Hall. Géén jazz. Ze lacht een beetje om de absurditeit van het feit dat ze daardoor wél als jazzmuzikante profiteerde: "Het heeft mijn carrière ongelooflijk geholpen".
Inmiddels heeft ze een groot cd-project als leider afgeleverd. Uitgekomen bij het Duitse ACT-label dat daarmee zijn aanwezigheid op de Amerikaanse markt wil versterken. 'Jazz is a spirit' is de titel, een reis door de jazz die herinneringen aan het verleden combineert met zeer eigentijdse geluiden, solo's en 'programming'. Met een hoestekst van Angela Davis. "Die titel komt van Abbey Lincoln. Ik vond het zo mooi dat ik haar gevraagd heb om die te mogen gebruiken", vertelt ze. Zelf omschrijft ze jazz op de cd-hoes als 'voortdurende momenten van pure creativiteit', 'het logische ontrafelen van wat je denkt dat het moet zijn', en 'collective storytelling', het vertellen van een verhaal door een collectief van musici. "En dat is ook nog niet perfect", voegt ze er gepassionneerd aan toe. "'Jazz means: no category' heb ik ook ergens geschreven en 'jazz is vrijheid binnen grenzen'. Dat is allemaal wat jazz voor mij betekent. Deze cd moest geen arbitraire muziek zijn, maar de luisteraar meedwingen op een reis. Het soort plaat waar ik zelf graag naar luister en waarin je achter elkaar van begin tot eind mee moet".
Track nummer dertien op 'Jazz is a spirit' is een ontroerend monoloogje van een 74-jarige 'Papa' Jo Jones, een van de grote vernieuwers van het jazzdrummen. Met een schorre stem op de rand van de verstaanbaarheid heeft hij het over Billie Holiday, over Ethel Waters. 'Terri, als je een probleem hebt, kom bij mij zolang ik er nog ben', krast de 74-jarige. 'Om je grootvader. Om je vader. Om jou. Take care and say your prayers'. Terri Lyne Carrington: 'Ik heb dat een paar maanden voor zijn dood in 1985 bij hem thuis opgenomen. Een stukje historie dat ik met iedereen wil delen".

Interview in HC Bijlage North Sea Jazz 2003

The Terri Lyne Carrington Group
Gary Thomas (sax), Patrice Rushen (keys), Mat Garrison (bas), Nugyén Lê (gitaar), Terri Lyne Carrington (drums)




TOEKOMSTVISIOEN
- door Bert Jansma

Aan de muur bij mij thuis hangt een lijst met daarin een stel fraaie affiches.
North Sea Jazz festival The Hague staat erop.
Het deed me elke keer weer pijn als ik er langs liep.
Want de laatste met The Hague komt er aan.
Daarna zal er Rotterdam op staan.
En of ik dat nou in de gang van m'n Haagse hofje wilde?
Ik wist het niet.

Deze week kon ik een zucht van opluchting slagen.
De gemeente Den Haag heeft een keus gemaakt voor een opvolger van het North Sea.
Geen imitatie, geen kloon, maar een festival met een eigen signatuur.
Ik ben er blij om.

Michael Varekamp, de maker van dit programma is intiatiefnemer.
Mét saxofonist Ben van den Dungen en muzikaal zakenman Eelco van Velzen.
In een vroeg stadium hadden ze me hun ideeën gestuurd.
Ze zochten naar een manier om ze verbaal 'voelbaar' te maken. En vroegen me: Zou jij niet een recensie willen schrijven?
Alsof je bij de eerste dag van het nieuwe festival rond het Spuiplein aanwezig was?
In 2006?

Hmmm. Interessant. Ik kon er mijn verdriet om het North Sea-verlies mee wegtikken.
Ik kon er mijn hoop op loslaten.
Dat deed ik. Dit was het resultaat.
Zogenáámd gepubliceerd in de Haagsche Courant ergens in 2006.

De kop luidt:

Geslaagd festival rond
waarachtig kunstenplein

door onze jazzrecensent

Prachtige opening van het nieuwe Haagse Music X-tensions festival:
The New Hague All Stars in een tent op het Spuiplein met hier zelden gehoorde Europese grootheden als gast. De mooie Italiaanse trompettist Enrico Rava, pianist Stephane Bollani die even de plaats van Peter Beets in nam.
Een concert dat muzikaal in het verleden begon en met de fraaie arrangementen van Johan Plomp op weg ging naar de toekomst. Van bop naar boogaloo. Van zwaar aangedreven funk naar ijlere regionen waar ritme ondergeschikt wordt aan sferische vluchten op sopraansax en trompet. Alsof Miles alsnog een fusie was aangegaan met Messiaen.
En wat zag dat plein er opeens anders uit.
De beruchte fontein mocht dan stilgelegd zijn, de allure was er.
De op jazz geïnspireerde sculptuurprojecten rondom, volop beweging tussen de diverse zalen om een wáár kunstenplein.
De tram- en buslijnen door de gemeente Den Haag wat uitgedund voor het nieuwe festival, en het fenomeen van de 'klaarovertjes' weer tot leven geroepen tussen de twee zijden van het Spui, nu in festival T-shirts.
Het had er de eerste dag alles van dat hier een mooi alternatief voor het naar Rotterdam weggeglipte North Sea Jazz zal kunnen groeien. Een festival niet voor de hele grote massa's, maar wel breed, jong en met veel verbindingen met andere kunstdisciplines.
In het Filmhuis kon je een Stan Getz horen zoals hij maar zelden speelde, het getergd uitschreeuwend tussen wanhoop en angst, op de soundtrack van de zelden vertoonde film 'Mickey One'.
Dichter J. Bernlef verklaarde in het Theater aan het Spui zijn verbale visie op de jazz nu en de toekomst en liet daarna aan de piano - met een combo van jazzcritici - horen hoe hij voortborduurde op Thelonious Monk-achtige dissonerende klanken.
In de Nieuwe Kerk speelt de New Dutch Academy van Simon Murphy, een jong ensemble dat al eerder vol bravoure de vroege symfonieën van Stamitz, Richter en Corelli de vernieuwingsdrift gaf die er bij het componeren-toen geweest moet zijn.
Murphy c.s. gingen hier een fusie aan met een ensemble jazzmusici die hetzelfde deden met de oer-jazz van New Orleans.
(...)
En dan staat er zelfs een nieuwe kleine held op. De 17-jarige Ben van Gelder, opgevoed tussen de platen en cd's van zijn vaders Swingmaster-zaak in Groningen, en bezeten van de bop. Solo's vol structuur, harmonische vindingrijkheid en met gemak overeind blijvend tussen al die musici van twee, drie generaties ouder.
Ferdinand Povel
Doorgroefde rotten als Ferdinand Povel en John Engels stonden er van genoegen bij te grijnzen.
De Anton Philipszaal paste de programmering naadloos aan: met de iets grótere sterren uit het Europese jazzleven.
Mooiste concert van die eerste dag kwam van de Pool Tomasz Stanko, hier de laatste tien nooit gehoord maar iemand die je de Miles Davis van de Europese jazz kan noemen.
Wat een gevoel, wat een beheersing en wat een heerlijke zoektocht langs ideeën en emoties met een kwartet van verrassende, jonge Poolse jazzmusici.
Als het vandaag bij de tweede dag aan het Spui zo doorgaat, heeft Den Haag definitief een nieuw Kwaliteitsfestival.

Dat bedacht ik, dat ik Zou Kunnen Schrijven.
In de Haagsche Courant anno 2006.
Zonder ook maar het flauwste vermoeden dat me nóg een verdriet wachtte.
Dat de Haagsche Courant dan zeer waarschijnlijk Niet - Meer - Bestáát.

North Sea Jazz wordt opgevolgd.
Hosanna.
Over de naam van de opvolger wordt nog verder nagedacht.
Een suggestie:
Heren, wat dachten jullie van, heel simpel, The Hague Jazz & World festival?

Over de naam van die nieuwe krant die er moet komen, wordt ook nagedacht.
Ik denk niet dat ze voor een suggestie bij míj zullen aankloppen.
Ik zou het trouwens niet weten.
Voor mij dient een krant in Den Haag gewoon Haagsch te heten.

Sorry Michael Varekamp en bentgenoten.
Ondanks jullie plan, blíjf ik dus een geplaagd mens.

(NB: Deze column werd uitgesproken toen nog niet bekend was dat die nieuwe krant AD Haagsche Courant zou gaan heten. Maar die naam verandert niets aan de teneur van de tekst. BJ)

Susanne Alt
SUSANNE ALT
- door Bert Jansma

Geen kloon zijn van iemand? - HC - 02-07-05 - NORTH SEA JAZZ

En toen was er weer een jazzsaxofoniste bij. We hadden al Carolyn Breuer die hier studeerde, maar terug ging naar Duitsland. Tineke Postma maakte twee cd's en gaat straks Amerika veroveren in de band van drummer Terri Lynn Carrington. En dan is er Susanne Alt. Ze nam met haar kwartet net een cd in eigen beheer op (Nocturne) waarvan ze er in korte tijd al vijfhonderd - en dat halen sommige sterren niet eens - verkocht via haar website, jazz-speciaalzaken en optredens. Ze debuteert nu op North Sea Jazz. Ik kom er al tien jaar en nu sta ik er zelf met mijn eigen band. Een geweldige eer.

Susanne Alt: Ik wil muzikaal heel breed zijn. In de praktijk moet je ook wel. Er komen steeds meer muzikanten bij.
Susanne Alts eerste cd valt op door verrassend eigen werk: emotionele stukken naast goed in het gehoor liggende, groovy thema's. Ze denkt al aan een opvolger: Daarop wil ik meer met de elektrische piano, Fender Rhodes, gaan doen, zegt ze, maar niet commercieel. Dan word ik onmiddellijk vergeleken met Candy Dulfer en dat heb ik tot nu toe maar weinig gehoord. En daar ben ik blij om. Ik vind Candy hardstikke goed, maar het is allemaal wat overgeproduceerd.
Susanne Alt komt uit Wurzburg en begon daar sax te spelen: Vonden de jongens heel stoer en die vroegen me of ik mee wilde gaan naar workshops in de buurt, in Erlangen.
De eerste keer daar was ik veertien of vijftien jaar. Toen wist ik dat ik muziek wilde studeren. De tweede keer ging ik denken aan jazz. En de derde keer wist ik het zeker.
Ze won er een competitie voor jong talent, kreeg er een beurs en op advies van een Duitse trombonist ging ze in Amsterdam studeren. Mijn ouders geven allebei muziekles; vader componeert en schrijft gedichten, moeder geeft gitaarles. Ze hebben me meteen geholpen. We letten niet op je keuzes, maar als je kiest, moet je consequent zijn en doorzetten, vonden ze. Ze zijn verre van rijk, maar mijn moeder is extra-lessen gaan geven om mij hier in Amsterdam te steunen.
Ze had er les van onder anderen Ferdinand Povel en Jasper Blom, daarna ging ze naar Berlijn om bij Peter Weniger verder te studeren. Op haar cd staat een opdracht aan hem Thanks for making me compose. Ik had hier alle basisdingen geleerd, jammer dat het vaak niet zo persoonlijk was, maar dat is onmogelijk als je met vijfentwintig saxofoonstudenten bent. In Berlijn waren er maar zes. En Weniger is echt een pedagoog, dat maak je niet meer mee. Hij heeft me verboden om standards te spelen. Voor mijn examen moest ik van hem mijn eigen stukken schrijven.
Het hielp haar in het ontdekken van die eigen stem. Ze wil niet negatief zijn over haar conservatoriumtijd, maar ze heeft wel kanttekeningen: Een nadeel is dat er een soort muziek de boventoon voert: wat tussen 1940 en 1958 gemaakt is, is goeie muziek. De rest is allemaal onzin. Dat is gevaarlijk. Ik wil juist heel breed zijn en in de praktijk moet je ook wel. Er komen steeds meer muzikanten bij.
Haar eigen smaak is ook breed. Ze hoorde Joshua Redman in Paradiso in Amsterdam: Waanzinnig goed, hij is mijn held. Heel diep van intensiteit en vol soulelementen.
Maceo Parker
Ik houd ook van Maceo Parker en van oude dingen als het werk van Cannonball Adderley. Michael Brecker vind ik steeds mooier spelen en dieper gaan. Ik kan ontzettend genieten van iemand die heel goed bebop speelt. Ik hoor niet bij de BIM-huis-gemeente die zegt dat het stoffig is. Stoffig? Het moet goed zijn, maakt niet uit of het bebop is of free. Maar ze luistert ook naar de hiphop van Snoop Dogg en in het najaar is ze te horen in de theatershow van Ivo Niehe.
Nog een stap verder bij zichzelf kwam ze via een vriendinnetje uit Duitsland dat kwam aanzetten met een bandje dat ze destijds in Erlangen had opgenomen. Ik zat er met tranen in mijn ogen naar te luisteren. Ik speelde daar nog zonder na te denken, funky, helemaal Maceo, knallen! Toen dacht ik: het wordt niks als ik alleen mijn leraren geloof. Ik moet mijn eigen ding doen, anders word ik zo?n kloon van iemand. Ik weet dat ik niet de beste saxofoniste van de wereld ben. Maar wat maakt dat uit? Ik wil mensen verblijden, mezelf verblijden. Het heeft niets met arrogantie te maken dat ik op dat podium wil staan. Ik wil het naar mijn zin hebben en ben bereid daarvoor te werken. Ik wil spelen.




Rob van Kreeveld
ROB VAN KREEVELD - door Bert Jansma

De tweede doorbraak van Rob van Kreeveld

Rob van Kreeveld: eindelijk over de streep

Je zou het de tweede doorbraak van Rob van Kreeveld kunnen noemen. Ook al klinkt dat vreemd voor een pianist die nooit uit de muziek weg is geweest. Hij geeft en gaf les als docent aan de conservatoria van Rotterdam en Den Haag, maakte furore als jarenlange begeleider van cabaretier Paul van Vliet, schreef de muziek van tientallen cabaretliedjes - 'Veilig achterop, bij m'n vader op de fiets', 'De zee' en 'Meisjes van dertien' - was in zeer uiteenlopende jazzcombinaties te horen. Maar een eigen plaat of cd, als leider van een groep, had hij nooit gemaakt. Ja, er was een solo-opname in de serie Jazz at the Pinehill waarin een aantal Nederlandse jazzpianisten zich in hun eentje mochten uitleven. Maar pas in het jaar dat Van Kreeveld 62 gaat worden, zijn er opeens twee cd's: 'Alone together' en 'Together alone'. De eerste met alleen percussionist Jeroen de Rijk als tegenspeler, de tweede met een kwartet met vibrafonist Frits Landesbergen. Toch gek, voor een man wiens naam je als leraar en inspirator tegenkomt in talloze biografietjes van jonge pianisten die inmiddels in cd's grossieren.

Vijftien jaar schaven

"Ik heb mezelf altijd meer een side-man gevoeld. En een goede side-man is kostbaar en moeilijk genoeg", zegt Van Kreeveld. "Wel veel met trio opgetreden, maar nooit iets vastgelegd. Ik had nog wel eens de stille hoop dat 't ooit zou gebeuren, maar ik heb er zelf nooit hard aan getrokken. Ik heb de laatste vijftien jaar veel aan mezelf zitten schaven. Om mezelf in een aantal opzichten te vernieuwen, m'n oren open te zetten voor eigentijdse stijlrichtingen in de jazz. Maar het is vibrafonist-drummer Frits Landesbergen die me over de streep getrokken heeft. Die heeft gezegd: en hup, nu gaan we aan de gang, verzamel je goeie stukken, schrijf wat op en wij spelen 't".
Frits Landesbergen
"Hij is misschien wel de mooiste jazzpianist in ons land", had bastrombonist René Laanen al eens over Van Kreeveld gezegd. Landesbergen stuurt me de door zijn Baileo Music geproduceerde opnames van Van Kreeveld met een kattebelletje 'Hier zijn de cd's van The Legend'. En percussionist Jeroen de Rijk - op zijn verjaardag gestoord voor fotomateriaal van de pianist - zegt: "Voor beschuit en Van Kreeveld mag je me altijd wakker maken". Tekenend voor het respect dat er is voor de man die geen lelijke noot kán spelen.
"Het is een beetje gaan rollen met de cd van de groep First Moves" vertelt Van Kreeveld. "Een groep die hoofdzakelijk fusion speelt, muziek uit de hoek van Weather Report, Mike Manieri en Joe Zawinul. Jimmy Haslip van de Yellow Jackets speelde er electrische bas op, Leonardo Amuedo gitaar en Isaline Callister zong. Toen is er dat effect van een sneeuwballetje ontstaan. En nu komt er een tournee naar Japan aan met Dim Kesber en Friends en staat er een concert in het Amsterdamse Concertgebouw op stapel".

Tweede jeugd

Een tweede muzikale jeugd, lijkt het, voor een pianist van de generatie die de jazz helemaal zelf moest leren. Een jazzopleiding was er niet, Van Kreeveld zou later zijn solistendiploma halen bij zijn klassieke leermeester Theo van der Pas en heeft aan die studie wel een grote - en vaak hóórbare - liefde voor de klassieke muziek overgehouden. Brahms in de eerste plaats, Bach, Ravel en Debussy. Maar de jazz kwam toen hij als jongen op de radio Oscar Peterson en Ray Brown hoorde in Jazz at the Philharmonic-opnames. "Dat greep me zo aan, daar was ik helemaal van ondersteboven. Dít is mijn muziek, dacht ik", herinnert hij zich. "Een vriendje op de mulo kwam met platen bij me langs, die hij van z'n vader thuis niet mocht draaien. Errol Garner, George Shearing, de eerste West Coast-opnames. Ik had toen de gebruikelijke pianoleraar, maar voor jazz moest je alles op je gehoor doen. Luisteren in jazzclubs, zoals naar Frans Elsen en Rob Madna in het Achterom. Daar was ik elke zondag te vinden. Oren wagenwijd open: Goh, wat een mooie akkoorden speelt Frans nu, wat zou dat zijn?"
Z'n eerste 'schnabbel' had hij op z'n vijftiende, vijf gulden kreeg hij ervoor. Een paar jaar later speelde hij - als Pia Beck vrij of op tournee was - in De Vliegende Hollander: "En dan kom je daar het fenomeen John Engels op drums tegen. Ongelooflijk wat die speelde. Ik weet nog wat een drummend vriendje zuchtte, nadat hij John gehoord had: 'Ik denk dat ik m'n trommelvel maar in stukken snijd. Ik kap ermee'."

Dertig liedjes

Toen kwam Paul van Vliet en Pepijn. "Een prachtige tijd. Paul is een groot vakman en hij heeft me discipline geleerd. Je dienstbaar opstellen. Niet altijd de solist willen zijn met vier chorussen in een stuk. Soms krijg je helemáál geen solo. Paul was een groot jazzliefhebber en vond 't leuk als ik de muziek doorspekte met jazzakkoorden. Later werd dat 't minder, maar in de beginjaren vond-ie 't prachtig als ik lekker zat te swingen". In die periode schreef Van Kreeveld zo'n dertig liedjes, ook enkele voor cabaretier Fons Jansen. "Dat 'Meisjes van dertien' werd een soort hit, daar verbaas ik me nog over. Dertig jaar oud en nog steeds actueel. Corry Brokken zong 't, Willeke Alberti zong 't. Pianiste Amina Figarova heeft er kortgeleden een septetversie van gemaakt. Het zou een jazzballad kunnen zijn, er zitten jazzakkoorden, jazzprogressies in. Ja, daar heb ik met veel plezier aan gezeten. Die liedjes, dat componeren? Soms ging 't vlot, soms niet. Dan moest 't klaar en stond je zwaar onder druk. Gezonde spanning. Maar het is zoals Arthur Rubinstein eens zei: 'Fear for every concert is a prize I have to pay for a wonderful life'."

Interview gemaakt ter gelegenheid van optreden First Move: Frits Landesbergen (vibrafoon), Tom Beek (tenorsax), Peter Tiehuis (gitaar), Rob van Kreeveld (keyboard), Theo de Jong (basgitaar), Jeroen de Rijk (percussie), Hans Eijkenaar (drums). Op 14 februari 2004

Michael Brecker
De tien seconden gratie van Michael Brecker
-
door Bert Jansma

Michael Brecker is geen groot prater. Hij slaakt nauw verholen zuchten wanneer hij de dingen verbaal op een rij moet zetten. Laat zich afleiden door een zacht jankje van zijn zwarte labrador Jay, die het niet haalde als blindegeleidehond en kortgeleden lid van de familie is geworden.
Niet dat Brecker niet wil. Integendeel. Hij bewondert mensen die het wel kunnen. Zoals gitarist en vriend Pat Metheny: "Die kan zich zo goed concentreren, die is onverstoorbaar".
Bewondering is een kwaliteit die de jongste van de twee broers Brecker nog altijd heeft. Ondanks dat hij zelf de meest invloedrijke jazztenorist van zijn generatie is. En waarschijnlijk de meest opgenomen jazzsaxofonist op deze aardbol. In een diversiteit (rock, fusion, met Paul Simon, met zangers als James Taylor, jazz) die verbazend is. Met een wat donkere, nerveuze klank die op zijn net uitgekomen cd, 'Nearness of you' met grote intensiteit tot rust komt in een serie ballads.
Voor Michael Brecker moet je eigenlijk bij zijn muziek zijn. Hij is gevleid door aandacht, geeft je alle tijd op de grote veranda van zijn fraaie huis in koloniale stijl in het landelijke Hastings on the Hudson, vlak boven New York City, en uitkijkend over de rivier. Nee, helemaal niet erg dat hij de baseballwedstrijd van zijn zoontje mist. Zijn vrouw zal namens hem langs de lijn zitten. Wanneer ik weg ga, strijkt hij me nog een paar keer amicaal over de rug. Het heeft iets van 'we hebben 't in elk geval geprobeerd. Sorry, dat ik maar geen open boek kan zijn'.
Pratend met Michael Brecker kom je altijd bij John Coltrane terecht. "Hij en zijn kwartet hebben mij de jazzmuziek in gedreven (Brecker zegt 'propelled me into the music', nog sterker. Red). En die muziek grijpt me nog altijd aan. Nu, terugkijkend, wetend dat Coltrane zo jong stierf, is het nog verbazender en indrukwekkender hoe groot het muzikale gebied is dat hij bereisde. Een groot vernieuwer". Zelf rekent hij zich niet tot die klasse. En dat is bij hem geen valse bescheidenheid.
Michael Brecker koos Pat Metheney als gitarist én als producer van die laatste cd. "Ik ben met Pat, met drummer Jack de Johnette en bassist Charlie Haden op tournee geweest. En toen is het idee ontstaan voor een cd met alleen maar ballads. Een plaat met een grote intimiteit, om bij weg te dromen. Maat tegelijkertijd moest er een hoop muzikale informatie zijn, het moest een jázz-cd blijven. Ik heb Pat gevraagd de productie te leiden, en dat ging fantastisch. De beste ervaring die ik ooit bij een studio-opnames heb gehad. Hij mag m'n verdere leven alle platen van me produceren.
Drummer Jack de Johnette, 'kills me'. En ik weet niet waar Herbie Hancock op de piano de noten en akkoorden vandaan haalt. Ik heb tegenover hem nauwelijks helder uitgesproken wat ik wilde, hoe ik het voelde, maar hij dééd 't. En hij laat je zoveel ruimte".
Het is waar het om gaat bij Michael Becker. De momenten van een gezamenlijke intensiteit van verschillend geaarde muzikale karakters. "Dat blijft een onderdeel van de schoonheid van jazz. Die communicatie op dát moment. De enige kunstvorm die die bijzondere kwaliteit heeft. Volledig improviseren voor een publiek". Het dwingt je bijna tot de vraag wat daarin zijn mooiste momenten waren. "Ik heb een hoop muzikale herinneringen waarvoor ik dankbaar ben. Zeker deze laatste cd, want ik heb zelden zo'n goed gevoel over iets gehad". Ver vooruit denken, doet hij niet. "Je bent geneigd dat wel te doen, maar dan corrigeer ik mezelf, ik denk dat het fout is. Ik ben gewoon niet goed in ver vooruit denken. Ik ben beter op de korte termijn, zelfs de heel korte".
Op die korte termijn staat hem heel wat te wachten. Een Coltrane Tribute met het orkest van Jon Faddis in New York, daarna in Montreal vijf avonden met steeds een andere groep: Met o.a. Joey Calderazzo, duetten met Charlie Haden, een avond solo sax, een avond met Steps Ahead. Dan naar Moskou. En het North Sea Jazz Festival. "Ongelooflijk hectisch, echt het grootste festival ter wereld, verbazend goed geplanned. Het valt in een tijd dat je nauwelijks aan slapen toekomt. Maar voor ons muzikanten is het ook 'fun'. Omdat je er iedereen eindelijk weer eens ziet, daar in dat Bel Air hotel".
Op het North Sea Jazz Festival speelt hij met zijn broer Randy Brecker. Hij informeert nog even naar wáár hij speelt. "O gelukkig, de PWA-zaal. Ja, want dit is de eerste keer met mijn broer dat we akoestisch spelen. Dat is beter op z'n plaats dáár. We doen stukken van mijn cd, Randy zingt misschien nog wat van zijn laatste cd 'Hangin'in the city'. We weten 't nog niet precies".
Hij grijnst wat vermoeid bij de opsomming van wat er allemaal aan komt, maar het brengt hem ook tot een serieuze, zacht geuite conclusie: "Er zijn momenten dat ik denk: beter kan 't haast niet worden".
En de jazz zelf? "Jazz kan dan soms marginaal lijken voor een groter publiek, er zijn een hoop nieuwe talenten. Jazz is hier onzichtbaar op de televisie, op die grote documentaire van Ken Burns via de Public Broadcasting na.
Maar de muziek is sterk en levend. En de muziek verandert nog steeds. Of er nog een grote vernieuwer als Coltrane opstaat? Wie weet. Talent genoeg. Een gitarist als Kurt Rosenwinkel, hij komt uit de traditie, maar hij speelt lijnen die behoorlijk nieuw en anders zijn. Niet iedereen is het met me eens, maar ik denk dat de taal van de jazz nog lang niet is uitgeput. Er is nog altijd ruimte voor groei. Ja, binnen de limieten zoals wij die kennen".
Naar zijn eigen spel luistert hij niet. Liever niet. Zeker niet bewust "Ja, soms, in de auto, of bij vrienden, als er toevallig iets van mij via de radio klinkt. Dan zijn er tien seconden dat ik niet weet wie er speelt, vóór ik me realiseer dat ik 't ben". En er breekt opeens een mooie lach door bij Michael Brecker: "Dat zijn mijn tien seconden van gratie".

Interview HC Bijlage North Sea Jazz 2001



KEITH JARRETT -
door Bert Jansma

'Het is beangstigend en eenzaam, daar alleen'.

Na twintig jaar is Keith Jarrett voor het eerst weer terug met zijn trio in Den Haag. In een speciaal concert voor het dertigste North Sea Jazz Festival. Maar vraag de Horowitz van de jazz niet hoe hij het vindt om terug te zijn. Goed, hij wil dan voor die ene keer wel een interview, maar dan wel serieuze vragen svp. De Maestro wil, net als aan de piano, vooral Het Diepe in.

Keith Jarrett is een fenomeen in de jazz. Met zijn trio kan hij op een ongeëvenaarde manier de standards van de jazz spelen. Alleen aan de piano heeft hij marathonlange solo-concerten opgenomen, zoals het legendarische Köln-concert, die tot de meest verkochte jazzplaten ooit behoren. Daar is hij de guru, in extatische vervoering achter de vleugel. Ineengedoken boven de toetsen, soms staand boven zijn kruk, bijna orgastisch meekreunend met zijn muziek. Zijn fans gaan mee in die trance, ogen dicht in de zaal en owee als er iemand kucht.
Want Jarrett geldt als een lastig mens. Een Nederlandse journalist stelde hem per telefoon vragen die hem niet bevielen en Jarrett legde de haak er gewoon op. De journalist in kwestie eindigde zijn interview dan ook met 'Tuut tuut tuut tuut'. Werd er teveel gehoest in de zaal dan legde Jarrett de boel plat. "En nu met z'n allen even uithoesten". Interviews geeft hij zelden. Maar okay, voor dit speciale North Sea Jazz-concert maakt hij een uitzondering. Maar zijn manager heeft wel vooruit laten weten dat de ondervrager breed geschoold diende te zijn in de muziek, de carrière van Jarrett goed hoorde te kennen evenals diens laatste dubbel-solo-cd, 'Radiance'. En absoluut geen vragen als 'Hoe vindt u het om na twintig jaar terug te zijn in Den Haag'. Of: 'Welke jonge pianisten vindt u goed?'. En al helemaal niet: 'Wat denkt u van de huidige jazzscene". Bij Jarrett moet het dieper gaan. En wel over hém
Tijd voor een reis naar de oude boerderij waar hij in New Jersey woont is er niet meer als de Maestro toezegt, dus dan maar een telefoongesprek. Het worden vijftig minuten praten die veel minder beladen zijn dan je tevoren zou denken. Met hier en daar zelfs lachje. En met dezelfde bijna-zelfspot die hij ooit in 1993 in het Amsterdamse Concertgebouw tentoonspreidde toen er na de pauze opeens een hoest uit de zaal klonk. Jarrett had net zijn handen boven het klavier. De zaal bevroor hoorbaar. Jarrett keek op en zei met een kleine glimlach: 'Ah, you know my reputation'. Waarop de zaal met een bevrijdende lach reageerde als een schoolklas die geen straf van de meester heeft gekregen.

Angst

"Hoe we in diepe gedachten verzeilen heeft een hoop te maken met wat we van tevoren níet denken, en ik wilde de muziek laten gebeuren zonder daar in diepe gedachten te zitten. Ik wilde dat mijn handen (speciaal de linker) míj verhalen zouden vertellen", zegt Jarrett over zijn laatste in Tokyo en Osaka opgenomen solo-cd. De pianist in vrijheid achter de vleugel, als een soort mystieke ontvanger. Geen plan, geen program, geen akkoordenschema's, geen vast tonaal centrum. Maar hoe schudt je alles wat je kent en weet van je af? "Het heeft allemaal te maken met de dag van de week, de condities om je heen, het hotel, je voedsel, het weer. Hoe je dat allemaal ondergaat is een deel van jouw voorbereidingen om vrij te zijn vóór een concert", zegt Jarrett. "Maar het is bijna onmogelijk om te beschrijven. Sommige dingen kan je controleren, andere niet. Ik probeer voor een optreden uit de gevarenzone te blijven". Jarrett lacht:. "Zo'n concert is een gevaar op zichzelf. En ja natuurlijk is er angst, ja dat is het goede woord. Het is beangstigend daar alleen. En eenzaam. Soms zou je willen dat er daar iemand bij je was. Als ik studenten had en die zouden willen doen wat ik doe, dan zou ik zeggen: Bereid je erop voor dat je de hele tijd bang bent". Zijn vrouw Rose Anne waarschuwde hem toen hij na de periode waarin hij leed aan het chronisch vermoeidheidssyndroom weer begon. "Het vraagt enorm veel energie, bijna onmogelijk op je 59ste. Maar dat was het eigenlijk al op m'n dertigste. Elke keer als je eraan begint moet je naïef zijn. Onbevreesd en naief tegelijk."

Explosie

Dan begint hij aan een uitgebreide zoektocht naar de verschillen tussen oudere solo-concerten en zijn laatste, 'Radiance'. "Vroeger dacht ik dat je vanuit het onderbewuste een muzikale wereld kon creëren die van klein langzamerhand naar een grotere toegroeide. Maar ik vergat daarbij dat de wereld op een andere manier gebouwd is. Vanuit een explosie. Als je naar de eerste 'track' van die nieuwe cd luistert hoor je dat. Het klinkt alsof ik al aan het spelen was vóór je de cd-speler aanzette. Tien jaar geleden, zeg maar tussen mijn La Scala-concert en mijn ziekte, geloofde ik nog dat leven een organisch continuüm was. Nu ben ik me gaan realiseren dat het zeer, zeer snelle pulsen zijn die beslissen wat we zien en zijn. Een snelle film, die als we 'm zouden vertragen, een reeks kleine stukjes zou opleveren, digitaal en analoog. Filosofisch gezien wilde ik alles van de werkelijkheid muzikaal omvatten. Daarom ook is het concert verdeeld in meerdere sets. Waarin elke wereld voortkomt uit die daarvóór". En bijna verontschuldigend: "Het is een beetje gecompliceerd, maar ik probeer steeds een filosofische basis te hebben. Als je zó vrij speelt als ik, moet je ergens in geloven. Ik zeg niet dat je moet geloven in een bepaald 'systeem', maar als je zelf geen structuur hebt in wat je gelooft, dan kan je niet doen wat ik doe zonder dat het 'bullshit' wordt". Hij lacht er zelf verrassend om.
Ooit heeft hij tegen een verslaggever van Der Spiegel gezegd dat ze die opnames van dat legendarische Köln concert beter konden vernietigen. Zat alleen maar in de weg. Jarrett beaamt het nog steeds. "Het is net als iets dat je dertig jaar geleden gezegd hebt. Je moet wel oerstom zijn, nooit je kamer uit geweest, nooit iets geleerd hebben, wil je het na dertig jaar nog met jezelf eens zou zijn. Dat bedoelde ik. Mijn cd 'Radiance' is wat dat betreft een Manifest. Ik denk niet dat die muziek tijdgebonden is, zal verdwijnen. Ik wilde dat gevoel over mijn opnames niet meer hebben. Toen ik ze ben gaan terugluisteren, wist ik niet meer wat er op stond. En ik had ook geen favoriet stuk. Want als ik dat nú had gehad, zou 't over twintig jaar on-waar zijn. Ik geloof dat dit anders is dan ik ooit met mijn werk heb meegemaakt."

Reunie

In Den Haag speelt Keith Jarrett met dat befaamde, subtiele en perfect uitgebalanceerde trio met bassist Gary Peacock en drummer Jack de Johnette. Ander verhaal. Of toch niet? Jarrett: "We weten nooit wat we gaan spelen. In het algemeen spelen we jazz-standards. Maar het hangt af van de sound check, van de akoestiek van een zaal. 'Inside Out' in Londen werd een vrije spiraal van klank omdat het geluid in die hal te slecht was om iets te spelen dat heel precies was en ook zo gehoord moest worden. In het vliegtuig ga ik wel eens naar Jack toe en zeg hem wat ik denk dat er in een concert gaat gebeuren. Maar als het idee op het toneel bij de soundcheck niet werkt, dan raken we 't niet meer aan. Het verschil met het trio is dat ik de leider ben en wat informatie moet geven". Lachend: "Ook aan mezelf Of Gary zegt: 'Keith, is dit het goeie akkoord? Want de laatste keer speelde je hier een ander'. Gary, zeg ik dan, je zult best gelijk hebben, maar ik kan je niet zeggen welk akkoord ik vanvond zal spelen".
Zijn trio is al sinds begin jaren tachtig samen en het wordt steeds beter, vindt Jarrett. "Het is nu elke keer als een soort reunie. We spelen niet het hele jaar samen, alleen in de grote zomertournees. Dus alles blijft fris. Er zijn maar een handjevol songs die je als trio altijd wilt blijven spelen. Omdat ze steeds anders kunnen zijn. Gary Peacock was verbaasd toen hij hoorde dat ik alle teksten van die standard-songs ken. Daardoor heb je een concept, begrijp je wat de sleutelzinnen zijn, waar iemand z'n liefde kwijt raakt, waar de ontknoping zit. Die standards zijn het prisma waardoor je ons kan ervaren. Daarom spelen we die oude bekenden nog steeds. De wereld is zo gek geworden dat je geen platencontract meer krijgt als je geen eigen songs schrijft. En hoeveel mensen schrijven werk dat de moeite waard is?"
Eén zo'n cd met standards neemt een speciale plaats in binnen Jarretts werk, 'The melody at night with you'. Alleen aan de piano klinkt hij verbazend simpel en breekbaar. Jarrett: "Ik had toen dat 'chronic fatigue syndrome', ik kon de deur niet uit en het was Kerstmis. Ik had geen cadeautje voor mijn vrouw. Dus ik heb 't toen alleen in mijn studio thuis opgenomen. Elke keer een stukje, want meer kan je dan niet opbrengen. En het daarna ingepakt als een kerstcadeautje."
Een cd zónder kuchjes in elk geval. Op 'Radiance' staan wél een aantal Japanse hoesten uit de zaal geregistreerd. Hoe zit dat, meneer Jarrett? "Ik heb ze er eerst uit willen halen, maar dat werkte niet. Ik besefte dat die kuchjes er gewoon bij hoorden. Ik heb het bassist Gary Peacock verteld, die studeert om Zen-monnik te worden. 'Wat?', zei die. 'De kuchen terug? Dan ben je nog meer Zen dan ik."

Keith Jarrett, Gary Peacock, Jack de Johnette:
Special 30th anniversary concert. North Sea Jazz Festival, PWA-zaal, 6 juli 2005.

John Engels
Vijftig jaar met twee stokken
-
door Bert Jansma

John Engels: wát een vogel

Wát een vogel, John Engels. Al vijftig jaar hanteert hij de stokken achter z'n drumstel en hij is nog niet stil te krijgen. "Ik moet spelen", is het eerste wat je van hem hoort. "Ik haat pauze's. Laatst weer met een paar muzikanten: 'Moeten we niet even pauze houden?' Wát nou pauze? Voor wie? Pauze heb je in je kist".
Veel pauzes zijn er niet geweest voor John Engels jr (1935). Lauweren heeft hij genoeg gehad. Een Bird Award (de allereerste), de Boy Edgarprijs, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, net nog de Meer Jazz Prijs 2003. Lauweren genoeg, maar hij is er nooit op gaan rusten. En zijn vijftigjarig jubileum? "Ik zie 't allemaal wel, ik ben niet van het type dat iedereen daarover gaat bellen. Dat vind ik getreutel. Ik speel gewoon".
Dat hij ongewoon góed speelt, weet inmiddels de hele jazzwereld. Ook internationaal. Bij hem thuis foto's uit Amerika met drumcoryfeeën als Mel Lewis, Elvin Jones, Louie Bellson, Johnnie Engels tussen hen in. Aan de muur foto's en een portret in gips van wijlen Chet Baker. Hij maakte twee tournees door Japan met de trompettist en hij krijgt nog altijd tranen in z'n ogen als hij er aan denkt. "Hier, op die dubbel-cd, dat stuk 'Seven steps to heaven'. Dat zette hij zonder iets af te spreken, zomaar in tijdens een tv-uitzending in Tokyo. En natuurlijk, alles kan altijd beter, maar hoe hij dingen dan oplost. En hoe we in één klap samen vallen". Jazz noemt hij een vorm van telepathie: "Exact aanvoelen wat een ander denkt en wil".
Hij kreeg het thuis met de paplepel in. Vader John Engels was drummer. Nam zijn zoontje mee naar de concerten van Jazz at the Philharmonic in Rotterdam. Junior: "Ik werd er voorgesteld aan mensen als Ray Brown, Max Roach. Roach z'n snare drum viel om tijdens het concert. Hij loste het op met bass drum en high hat: Toe tssjjj, toe tsssj. Vergeet ik van m'n leven niet. Toen wist ik dat ik muziek wilde maken".
Vader Engels dacht er anders over, die wist dat jazz niet betekent dat er gegarandeerd brood op de plank ligt. Ga maar een vak leren, zei die. Maar Johnny Engels wilde naar het conservatorium in Den Haag. "Ik ben er twee keer geweest. De eerste en de laatste keer. Klinkt allemaal leuk, zeiden ze. Maar je bent links. Je moet rechts leren spelen. Toen ben ik weg gegaan". En hij begon links als zeventienjarige aan die carrière die hem langs alle clubs van Europa zou brengen, samen met zo'n beetje iedereen die aan jazz geroken heeft. "Ik ging toen naar de Surinaamse saxofonist Kid Dynamite, als enige blanke jongen in een zwarte band. Met hem kwam ik in de Tabu in Düsseldorf terecht. Speelden daar alle jongens uit de Lionel Hampton band. Art Farmer blies er mee. Vijfentwintig jaar later zou ik concerten met hem geven. In 1953 speelde ik in Wenen. De pianist werd ziek, en weet je welk lokaal pianistje er toen in viel? Joe Zawinul. 'Ik ga volgende week naar New York' zei hij nog. En hij is in Amerika gebleven".
John Engels interviewen is eigenlijk onbegonnen werk. Hij grijpt in de stapel cd's: "Wat wil je horen". En als er iets klinkt, valt hij stil. "Ja, dan ga ik luisteren, dan kan ik niet praten". Hij schiet van de hak naar de tak, van dat jonge saxofonistje van veertien dat hij net gehoord heeft, naar herinneringen aan al die 'vogels' (centraal woord in zijn vocabulaire) met wie hij speelde. Leidt je door zijn huis, waar in de huiskamer, de kelder en de kast de drumstellen staan opgestapeld. Bergen cd's, rekken vol platen, een rijstebrijberg aan bandjes, kasten die boordevol jazzvideobanden zitten. "Vannacht nog naar een band met Mulgrew Miller zitten kijken, niet te geloven", zegt hij opgewekt, "maar waar hèb ik die nou? Een puinhoop is het, jongen. Ik zoek een aardige dame om dat allemaal een keer bij te houden, zet dat maar in de krant. En ik heb eigenlijk ook een discografie nodig. Hilde, de vrouw van pianist Cees Slinger heeft er 'ns eentje voor me gemaakt. Maar er is zoveel bijgekomen. Ik heb een hoop cd's in het buitenland gemaakt. Die héb ik niet eens zelf".En als je toevallig een instrument bespeelt, meenemen naar het gesprek alsjeblieft. Dan kan je in het sousterrain nog wat 'jammen' met John. "Maakt niet uit of de een beter speelt dan de ander", zegt hij genereus. "Het gaat om 't speelplezier. De liefde voor de muziek, die is belangrijk".
Vader Engels drumde, zoon mocht niet maar deed 't toch ("toen ben ik 't huis uitgegaan"), broer Rob drumt, zus Truus drumt. En nog enkele van de elf kinderen Engels (oorspronkelijk dertien, twee ervan overleden) doen aan muziek. "Drummen zit bij ons in de genen" lacht hij. Chet Baker noemde hem een natuurtalent. Wynton Marsalis zei van John Engels 'he is a natural drummer'. Geboren met stokken en brushes. En wat voor jazz hij speelt, maakt niet uit. "Ik moet een verhaal horen. Of ik nu Armstrong hoor, of Ellington, of Bix Beiderbecke, ik krijg er nog steeds kippenvel van. Als je muziek maakt, gaat er een ander bewustzijn werken. Je komt op een ander 'level'. Maar helaas word je na de laatste noot weer teruggeschopt". Hij grijnst: "Daar moet je 't mee doen".
Hij zorgt er in elk geval voor dat hij vaak op dat 'level' zit. Of hij nu een concert speelt, of mee komt jammen, ergens in Nederland. 'Schnabbels' bestaan niet voor hem. Alles is even belangrijk: "Ik heb niet de instelling van: ik pik dat wel even mee. Sorry, dan ben je bij mij aan het verkeerde adres. Stel je voor dat er iets gebeurt, dat 't je laatste concert is? En dat je dan zo maar een beetje zit te spelen. Bij mij is 't geen honderd procent, maar tweehonderd procent". Hij stapt in de auto, rijdt van Amsterdam naar Rotterdam, drinkt geen druppel, krijgt z'n gage betaald en rijdt in de nacht weer terug naar z'n huis in de Amsterdamse Watergraafsmeer. "Dat is 't geheim", zegt hij, "muziek houdt je jong. Kijk maar een man als Elvin Jones, 76 en nog altijd een werelddrummer". En hij geniet. Van dat recente concert van Wayne Shorter met Brian Blade en John Patitucci. "Ik was helemaal kapot. Ik ben met mensen naar een caféetje gegaan, maar ik kon geen woord meer zeggen. Zó goed".
Allermooiste momenten? John Engels zegt 't simpel: "Muzikaal is 't die vijftig jaar eigenlijk mooier geweest dan ik ooit had kunnen denken". Chet Baker. "Hij zat niet aan die rommel, kreeg z'n embouchure weer terug en elke dag dat we speelden, groeide het tussen ons". Die filmmuziek samen met Archie Shepp. En de blues, een avond lang met zanger Jimmy Witherspoon: "Een van die legendarische avonden. 't Einde! Vergeet ik nooit van mn leven".
De blues, we zijn er weer. Engels: "Ik sta voor alle muziek open. ook vrije muziek. Al vind ik dat de jazz af en toe de richting van de Olympische Spelen op gaat. Al die noten. Maar ik móet die blauwe noten horen. Anders is er iets mis. Er wordt vaak wat gemakkelijk over de blues gedacht, maar een goeie blues is potverdikkeme het moeilijkste wat er is. Weet je wat ik 't mooiste zou vinden? Dat ik een blues zit te spelen en dat ze me dan naar boven halen".

Interview voor HC Bijlage North Sea Jazz 2003





WAYNE SHORTER
- door Bert Jansma

Een ontdekkingsreis die niet ophoudt

'Bij Miles voelde ik me een cello, een viola'

Jaren geleden alweer. Tuin Paviljoen van het North Sea Jazz Festival. Miles Davis kondigt een volgend stuk aan. Geschreven door Wayne Shorter. Groot applaus. Miles grijnst met een blijheid die je niet zo vaak bij hem zag. "You like Wayne Shorter?", vraagt hij zijn publiek met die hese stem. "Me too".
Alle muzikanten houden van Wayne Shorter. Zeventig is hij nu, hij heeft een wonderbaarlijke reis door de jazzmuziek gemaakt. Een reis die nog altijd niet af is. Net is zijn nieuwste studo-cd uit, 'Alegría'. Opgenomen vóór zijn recente - en allereerste - live-cd 'Footprints waar hij divere prijzen voor kreeg. En op 26 maart zal hij een concert geven in het Concertgebouw met zijn nieuwe kwartet.
Miles Davis was niet altijd zo lief voor Shorter. Shorter had - we praten 1959 - van John Coltrane gehoord dat die weg zou gaan bij het kwartet van Miles. 'Die plek is voor jou', zei Coltrane tegen Shorter. Shorter belde Miles. De enige korzelige zin die hij terugkreeg was: "Als ik een tenorsaxofonist nodig heb dan zoek ik die zelf wel". Einde gesprek. Pas jaren later zou het weer opgepakt worden. Shorter zou eerst in de big band bij Maynard Ferguson spelen, op aanbeveling van Joe Zawinul. Een invalbeurt bij Art Blakey's Jazz Messengers leverde hem daar de vaste tenorplaats op en met trompettist Lee Morgan vormde hij de mogelijk scherpste frontlijn die de band ooit had. Hij werd er 'musical director' en hij zou vijf jaar lang het geluid van de band bepalen. In 1964 wist de trotse Miles Davis zélf Shorter te vinden. En bij hem vond Shorter een nieuwe richting: "Iedereen hoorde 't verschil. Het was niet meer de pang-boem, er tegen aan routine die we met Blakey speelden. Met in elke solo een climax. Bij Miles voelde ik me een cello, een viola, ik voelde me vloeibaar, de kleuren begonnen te komen".

Schilderen

Kleuren spelen een belangrijke rol wanneer Shorter over zijn muziek praat. Hij ziet kleuren, hij heeft dromen, hij ziet filmbeelden. Zijn hele leven lang heeft hij geprobeerd jazz te verruimen, of het nu in de voorhoede van Weather Report was, in fusion, of op die laatste cd's. "Ik wil een 'sound' creëren die mensen horen als ze slapen, geluiden die rijk zijn aan emotie" zegt Shorter. "Ik wil schilderen". En over een arrangement op Álegría: "Ik hoor daar een fagot, en daar een french horn. Die twee moeten botsen, samen blijven klinken, als schuurpapier tegen elkaar". Hij imiteert dat geluid met zijn mond. "En dan de melodie. Het moet ongrijpbaar blijven. En dan vraag je je af: redden de musici dat? Wat doen zij ermee? Muziek maken is risico's nemen. Wat je neerschrijft verandert, blijft nooit hetzelfde. Leven fluctueert ook. Tussen het constante en de verandering krijg je de dimensie diepte".

Altaartje

We zitten in een Amsterdamse hotelkamer. Op het salontafeltje een Boeddhistisch reisaltaartje. Shorter had het een aantal jaren geleden al bij zich, in het Hilton hotel. Toen nog met zijn Portugese vrouw Ana Maria. Zij had hem bij dat Boeddhisme gebracht. "Boeddhisme helpt" vond Shorter, "het is een onderzoek naar ons eeuwig bestaan". Het hielp het echtpaar over de dood van hun enige kindje, Iska, veertien jaar oud, gestorven aan een hersenbloeding. Zijn vrouw Ana Maria (47) zou, niet lang na dat gesprek, verongelukken met het vliegtuig naar Portugal, TWA vlucht 800. De reis was hun cadeautje voor haar nichtje dat in Amerika afgestudeerd was in kunstgeschiedenis en in Portugal oude meesters zou gaan bekijken. Shorter ziet de foto van hem alleen op die Amsterdams hotelkamer bij het artikel destijds in deze krant, en zegt: "Waar ben je?" Zonder naam, tegen háár, simpelweg, zonder drama. Op 'Alegrïa' speelt hij een stuk van Leroy Anderson, 'Serenata'. Nogal ongewoon, de romantische Leroy ('Blue tango') Anderson in een jazz-zetting. Shorter: "Dat stuk heb ik voor het eerst gehoord toen ik zestien was. En op een gegeven ogenblik zit Ana Maria thuis achter de piano en speelt het. 'Hé, ken jij dat ook?', zeg ik verbaasd. Zij was zestien jaar jonger dan ik, dus ik hoorde 't voor het eerst toen zij geboren werd. Toen zij overleed, wist ik, ik móet daar iets mee doen.Vandaar dat ik het nu heb opgenomen. Zonder opdracht voor haar erbij. Hoeft niet, ze wéét 't".

Dode stukken

De muziek van 'Alegría' (Blijheid) is niet onder één hoedje te vangen. Er is de basis van Shorters kwartet met pianist Danilo Perez, maar ook Brad Mehldau speelt, saxofonist Chris Potter, plus een groot orkest. Voortdurend veranderen kleur en ritme, het speelt tussen structuren en complete vrijheid, er wordt geïmproviseerd over een twaalfde eeuws koraal, Villa Lobos' Bachianas Brasileiras no. 5 wordt geïnterpreteerd, plus een oud flamencolied uit de jaren dertig, 'Vendiendo Alegría', dat uiteindelijk voor de cd-titel zorgt. Shorter wilde niet met een vast orkest werken, zocht zijn musici één voor één uit, en schreef de arrangementen voor alle instrumenten. "Nee, geen assistent, geen kopiïst, dan zie je allemaal fouten terug. Ik wil zelf verantwoordelijk zijn".Over de muziek: "Ik wil dat het levend klinkt, met kleur, intensiteit en met een bedoeling. Wat ik doe is oppassen voor de 'dead zone', voor dode stukken. As ik ontdek dat er te weinig gebeurt, neem ik m'n lancet en ga ik opereren. Als een chirurg". Hij doet voor hoe hij maten wegknipt uit alle partituren, nieuwe overgangen maakt, ze inplakt en weer samenvoegt. Hij grijnst. "Dan kom ik bij de dirigent en die is dan perplex: 'Je hebt alles veranderd". Shorter lacht, met een hees, krakend geluid.

Cherokee-Indiaanse

Zijn compositie 'Sacajawea' begint als een boogaloo en eindigt in een compleet vrije vlucht van de solisten. "Sacajawea" vertelt Shorter "was een Amerikaanse Indiaanse. Een gids die de ontdekkers Lewis en Clark de passage van midden-Amerika naar Noorwest Amerika heeft helpen vinden. Ze staat op een Amerikaanse munt die in het jaar 2000 is uitgegeven. Met een 'papoose'(baby) op haar rug. In dat jaar kreeg ik een brief van een nicht van me die ik helemaal niet kende. Ze stuurde me een boek met het verhaal van mijn familie. Dat gaat terug tot 1857. En daar ontdek ik dat mijn vaders vader getrouwd was met een Cherokee Indiaanse, met de naam Sanny. Mijn vader is de grootste in de familie, gespierd. Hij was arbeider in de staalindustrie, een filmster-type, een soort Tyrone Power. Ik heb me altijd afgevraagd waarom ik zo klein was. Dat Indiaanse blijkbaar".
Hij lacht weer en is op een verrassende manier opeens volkomen geabsorbeerd door het verleden. En begint een relaas waar je mond bij open valt van verbazing. Alle namen van lang, lang geleden, weet hij precies. Die van mede-leerlingen, leraren, van muziekstukken die hij als jongen hoorde.

Moeilijke jongens

"Mijn moeder beschermde me altijd als ik klarinet studeerde. Dan kwam op zaterdag de familie langs en was het: 'Kan die knul niet even sigaretten voor ons gaan halen?' 'Nee, Wayne studeert, die deur blijft dicht, ik ga wel'.". Muziek kwam op een merkwaardige manier in Shorters leven. Op school spijbelde hij nog wel eens. "Ik zat vaak in het bioscooptheater waar je ook een live show had. Ik had zoveel lessen gemist dat ik bij een muziekleraar werd gezet. Een strenge disciplinaire man. Ze hadden me naar een instituut voor moeilijke jongens kunnen sturen. Maar als straf moest ik naar de muziekklas. Om me bang te maken. Maar daar is alles beginnen te gebeuren. M'n leraar heette Achilles d'Amico. 'Toscanini' noemden we hem fluisterend. Hij had drie platen op z'n lessenaar en hij wilde ons laten weten wáár volgens hem de muziek zich in de toekomst heen zou bewegen. De eerste was van zangeres Yma Sumac, die vrouw met een stem van zeven octaven, met wie hij het exotische, het latijnse bedoelde. Daarnaast had hij Strawinsky's 'Sacre du printemps', het hedendaags-klassieke. En de derde plaat was Charlie Parker".

The Make-Believe Bar Room

De jonge Wayne Shorter had toen net kennis gemaakt met Parker. Thuis, hij weet nog in welk radioprogramma en welke programmamaker. 'Het heette The Make-believe Bar Room, de disc jockey was Martin Block en hij draaide meestal Frank Sinatra en Bing Crosby. Mijn vader luisterde er graag naar als hij uit de fabriek terugkwam. Op een dag zegt die Martin Block: 'Deze week iets heel anders. A new wave of music is hitting the streets. En die komt uit New York. Ze noemen 't bebop'. En hij speelde tussen half acht en half tien muziek die ik nog nooit gehoord had". Shorter zingt, tada tada tada. " 'In walked Bud', en 'Off minor' van Thelonious Monk. Dat was een nieuwe wereld. Charlie Parker, Dizzy Gillespie. Mijn broer en ik zeiden: hééé. Het was niet alleen de muziek die ons pakte. Het was of we opeens iets voor ons zelf hadden. Of we een eigen vlag kregen die we mee konden dragen. Wij, zwarte Amerikanen, konden iets dat niemand anders deed. Dit was een sociale revolutie".
Hij vertelt hoe z'n leraren geld bij elkaar brachten voor
een verdere muziek-opleiding. Hoe hij als vijftienjarige tussen veel oudere leerlingen komt. Meteen als voorbeeld gesteld wordt. Hoe hij met twee medeleerlingen op school in de wandelgang The Big Three wordt genoemd. Hij herinnert zich zijn muziekschool-leraar Mr. Van Bodegraven ('Ven Boadugreeven') die ontdekt dat Shorter door een administratieve fout die niet meer te herstellen is 1 punt te kort komt voor een beurs voor de muziekafdeling van de universiteit van New York. "Hij roept me bij zich, in die kamer met al die instrumenten. Ik moest de fagot pakken. De klarinet. De sax. Zelfs de tuba moest ik spelen. Ik kreeg in twintig minuten een test waar je anders weken over doet. En hij zei: je hebt je punt, je krijgt je beurs". Hij herinnert zich z'n eerste compositie 'La vie et la mort', zeer ambitieus geschreven voor twee orgels. "We hadden zangles op de universiteit, ik zong bariton, of bas-bariton. We zongen een koraal en de muziek daarvan heb ik meegenomen. Mocht niet, eigenlijk gestolen dus. Ik vond 't prachtig, heb die muziek van 1952 af bewaard, tot ik het ergens in 1997 kwijt ben geraakt. Daarom staat dat stuk nu ook op 'Alegría'."
Veel van Wayne Shorters composities zijn beroemd geworden. 'Juju', 'Footprints'; 'Nefertiti', Tears', 'ESP', 'Pinocchio'. Jazz klassiekers. Maar hij staat er niet bij stil. Zeventig jaar en hij ontdekt nog altijd, mengt klanken en stijlen als iemand die voortdurend op ontdekkingsreis is. Altijd origineel. Hij vertelt over dat Japanse concert waar iemand zei: 'Jonge mensen houden van u omdat ze verrast willen worden, niet willen weten wat er gaat gebeuren'. "Dat is originaliteit", zegt hij. "Het wordt altijd anders daar in dat concert. Je kan het onverwachte niet repeteren. Misschien kom je met je medemusici in een treinbotsing terecht. Misschien houd je er littekens aan over. Die risico's moet je blijven nemen. Dat maakt 't de moeite waard".

Interview gemaakt t.g.v. optreden van Wayne Shorter (tenor- en sopraansax), Danilo Perez (piano), John Pattitucci (bas), Brian Blade (drums); Concertgebouw, Amsterdam. Op 26 maart 2004





JOHN SCOFIELD
- door Bert Jansma

'Jazz is improviseren, net als het leven'

Al wie twijfelt over de vraag of jazz leeft dan wel dood is, welke kant jazz op moet, of er nog 'standards' gespeeld moeten worden, moest maar eens met John Scofield gaan praten. Scofield, misschien de meest flexibele gitarist die er in de hedendaags muziek rondloopt. Funk, fusion, jazzrock, blues, alles speelt hij. Met de oude rotten van toen, met jonge honden van vandaag.
John Scofield aarzelt even. En zegt dan: "Weet je, die vraag maakt me gek. Als ik 'm op één bepaald manier benader, heb ik dít antwoord. Benader ik 'm op een andere manier, dan heb ik een ander. Alles wat ik weet, is wat voor mijzélf geldt. Het jazz-idee is de hele wereld over gegaan, heeft zichzelf in allerlei vormen gemanifesteerd. Van free jazz, jazzfusion tot jazzinvloed op klassieke muziek. We beïnvloeden elkaar voortdurend. En dingen veranderen. Misschien is 'straight ahead jazz' zoals wij die kennen, niet meer iets voor jonge mensen van vandaag. Het kan me eigenlijk niet schelen. I love jazz. Ik oefen nog altijd op 'Perdido'. En ik vind er nog altijd nieuwe dingen in. Een oude jazztrompettist als Roy Eldridge, ik weet zeker dat hij vandaag álles had kunnen spelen. Er zijn zoveel mensen geweest die zoveel dingen hebben gespeeld in de geschiedenis van de jazz. En ik weet zeker dat alles wat ik speel, al eens door iemand anders gespeeld is. Maakt niet uit. Het idee om de oude 'standards' te spelen blijft nieuw en fris voor mij. Ik ken jazzmusici die ouder zijn dan ik en die zeggen: ik kan dat écht niet meer, die alleen nieuwe of vrijere muziek zoeken. Ik niet. Ik speel ze. Maar niet altijd. Ik speel ook fusion music, daar houd ik óók van. Natuurlijk, de jazz is de laatste zes jaar veranderd. Stijlen komen en gaan. En ze zullen weer terugkomen."

'My Ideal'

Een herinnering aan Scofield, op een publiciteitstournee, geen concerten, in het Amsterdamse Amstelhotel. Naast de bank op zijn hotelkamer zijn electrische gitaar. Unplugged. De fotograaf komt en hij zit er op te spelen. Uit de zachte klanken doemt een ouwetje op, 'My ideal'. Scofield grijnst: "Ik ben gek op dat stuk en dergelijke 'standards'. Als ik in m'n eentje op reis ben, gaat de gitaar altijd mee, en ik speel ze voor mezelf." Dezelfde Scofield kan je even later uit z'n dak horen gaan, wel 'plugged', in een jazz-rockconcert. Tekenend. Een muzikant die niet van grenzen houdt.
Op het North Sea Jazz festival is hij met een trio met bassist Steve Swallow en drummer Bill Stewart. Ze hebben een cd gemaakt 'En route', live in de Blue Note in New York opgenomen. Veel werk van Scofield zelf, maar ook een Burt Bacharach-song als 'Alfie', en een bijna quiz-achtige stuk van Swallow, 'Name that tune'. Scofield lacht: "Steve heeft het geschreven op de akkoorden van 'Perdido'. Ik vraag het publiek wel eens: wie weet waar dit vandaan komt. Niemand heeft 't nog geraden."
Zijn platenmaatschappij had liever niet gezien dat de cd er was gekomen. Beter iets uit de studio, geacheveerd, gerepareerd, gearrangeerd. Scofield lacht: "Yeah, it's real jazz". En na een tijdje: 'Misschien wel het beste dat ik gedaan heb. Weet je, wanneer je een paar sets hebt gespeeld, gebeurt er iets. Je vergeet de microfoon, je bent elders. In de studio stop je na iedere 'take': Wat gaan we met het einde van dat stuk doen? Je maakt je zorgen over details. Hier hebben we dat niet. Het staat er op met fouten en al. Ik denk dat 't heel wat beter is dan andere dingen die ik gedaan heb."

Grote Broer Swallow

'Sco', zoals insiders hem noemen, is een genereus mens. Hij vergeet de naam van z'n interviewer niet, weet nog waar we het vorige keer over gehad hebben. Een klein wonder gezien de vloedgolf van schrijvende pers die hij over zich heen krijgt. En steekt ongevraagd en gemeend de loftrompet over zijn mede-musici. Bassist Steve Swallow: "Hij is de eerste met wie ik heel veel heb gespeeld toen ik een jongen van 22 was en in Berklee studeerde. Toen ik later in New York bij Gary Burton speelde, was Steve de bassist. Hij is gek op gitaar en dat kan je horen aan de manier waarop hij bas speelt. Moet je die solo horen in 'Alfie'! Hij heeft me wegwijs gemaakt en hij is echt een Grote Broer voor me geworden". Drummer Bill Stewart. "Oh man, this cat!" zucht Scofield bijan wanhopig. "Hij hoort alles, z'n 'time' is metronomisch zonder koud te zijn. Hij weet wanneer hij je moet 'pushen' en wanneer niet. Ik ben verslaafd aan dat soort drummers. Ze maken jazz zoveel beter: de Jack de Johnettes, de Roy Haynes' en natuurlijk wijlen Elvin Jones, ik denk niet dat er ooit iemand als hij geweest is."
Op 'Name that tune' speelt Scofield met zijn hoekig-springende stijl een solo in ongelooflijk tempo. Hij lacht er zelf om. "Ja man, ik kán helemaal niet snel spelen. Toen ik het terughoorde sloeg ik zelf achterover. We wilden net zo snel als Miles Davis spelen op 'Four and more', als Tony Williams, als in 'Cherokee', als Bird. We probeerden het elke avond, en uiteindelijk deden m'n vingers het vanzelf. Bill Stewart drumt daar met zoveel 'power', ik móest 'm wel bijhouden. Je wéét niet eens dat je 't doet. Als een soort athletiek"

' Jazz is hard'

We komen terug op jazz, jazzopleiding, jazztoekomst. "Jazz is hard", zegt hij wanneer een muzikant hem ongevraagd aan tafel een cd-tje komt geven. Het gebeurt honderden malen tijdens een tournee. Hij zal luisteren, belooft hij, maar er over corresponderen, nee, daar ontbreekt de tijd voor. Hij kijkt er pijnlijk bij, en vraagt me de naam van de muzikant in kwestie liever niet te noemen. "'Help 'm out man', geef ze aandacht", adviseert hij deze journalist. Hij geeft zelf masterclasses op music colleges en conservatoria. Hij begrijpt dat daar vaak de klassieke jazz wordt onderwezen. "Je kan niet veel anders", schokschoudert hij. "Hoe moet je iemand leren 'out' te spelen (noten die buiten het akoord vallen. red). Mensen vragen me dat altijd: hoe speel je 'outside the changes'? Ik weet 't zelf niet. Je kan de bop changes (de substituutakkoorden in de bebop. red) veel gemakkelijker onderwijzen. Je hebt D mineur en je kan laten zien welke noten wel of niet werken." Maar, voegt hij er onmiddellijk aan toe: "Regels zijn gevaarlijk, man."
John Scofield maakt z'n eigen regels. Hij maakt wel uit wát hij speelt, en hoe hij speelt. Jazz, fusion, zíjn muziek. "Hoe kan jazz nu dood zijn," zegt hij nog eens. "Jazz gaat over improviseren. Wat is er nog belangrijker? Léven is improviseren. Hoe kan jazz dan dood zijn?"

Interview gemaakt t.g.v. Scofields optreden op het North Sera Jazz festival 2004.





Alle foto's ter beschikking gesteld door jazzfotograaf Jos.L. Knaepen

 

René Laanen © 1998 - 2015 - Author/Webmaster -